VLAMINGEN IN DE BRONX

"De kapster in de buurt rekende me vijf dollar aan", vertelt Kaat Ponnet over haar eerste knipbeurt in de South Bronx. “'Vijf dollar?' zei ik, 'is dat niet heel goedkoop?' ‘Dat is een speciale prijs omdat je van het Abraham House bent", zei ze. 'Hoe weet u dat?' vroeg ik. Zij: ‘De enige blanke vrouwen die in deze buurt komen werken daar allemaal". De kapster had er nog aan toe kunnen voegen: "En als u blank bent en in het Abraham House werkt dan is de kans ook groot dat u Vlaams bent." Zes Vlaamse vrouwen, in leeftijd varierend van begin de twintig tot begin de zeventig, die zich zonder tamtam voltijds inzetten in de South Bronx voor een overwegende latino gemeenschap van ex-gedetineerden, gevangenen en hun families: van dat soort lopen er niet veel rond in New York.

“Manhattan is maar een metro-halte van hier", vertelt Kaat, een uit Gent afkomstige kinderpsychiater, "maar toch komen sommige van onze kinderen er nooit. Als we een uitstapje naar Manhattan organiseren dan kijken ze hun ogen uit." We zitten samen met haar collega Elke Maes, een therapeute uit Overpelt, te praten in de woonkamer van de 'residents', mensen die het geluk hebben om naar Abraham te zijn gestuurd in plaats van naar de gevangenis. Het is er kraaknet, net zoals in de slaapkamers, waarvan de deuren openstaan. " Nu is het nog rustig", zegt Kaat, "maar straks als de school uit is, komen 75 kinderen hier hun huiswerk te maken. Later komen de bewoners thuis van hun dagtaken. 'Thuis' is het juiste woord ook al beslaat Abraham House drie aaneenpalende rijhuizen en binnenkort nog een vierde. In het begin van de jaren tachtig werkte de tante van Kaat, zuster Simonne Ponnet uit Lokeren, een Franse priester en een Amerikaanse non als aalmoezeniers in Rikers Island, de grootste gevangenis van New York en Amerika. Ze geraakten ontmoetigd door de hoge graad van recidivisme en gingen op zoek naar een betere aanpak. Van het een kwam het ander en wat in 1983 begon als een bescheiden project in Brooklyn groeide uit tot een enthousiaste internationale gemeenschap van 20 voltijdse en 20 halftijdse medewerkers. Daarnaast kan Abraham House ook rekenen op meer dan twintig onbetaalde vrijwilligers die helpen met taken gaande van rechtsbijstand geven tot soep koken. Overheidssubsidies komen er niet aan te pas. Het geld komt van schenkingen uit Amerika en Belgie.

"We hebben twaalf bedden" vertelt Kaat. "Wie beschuldigd is van brandstichting, sexuele vergrijpen of geweld komt er niet in. Druggebruik wordt niet getolereerd. Wie hier wil wonen moet 100 procent bereid zijn om zijn leven te veranderen. Van de ruim honderd mensen die het programma hebben doorlopen zijn er voorlopig slechts twee die opnieuw in de problemen zijn geraakt." Wat later stelt ze me voor aan zuster Simonne. Veel tijd heeft die niet. "Ik ben op weg naar een interview met een kandidaat-bewoner", verontschuldigt ze zich. Achter haar vriendelijke glimlach schuilt een no nonsense-vrouw die dwars door de harde facade van haar kornuiten kan kijken. De kinderen, overwegend latino, zijn intussen aan het verzamelen in het cafetaria voor broodjes met melk. Daarna gaan ze hun huiswerk maken. Een van de jonge mensen die de kinderen helpt, is Silke Staes, een pas afgestudeerde psychologe uit Mol. Zij is hier sinds januari. "De cultuurschok is groot", vertelt ze, "maar dat maakt de ervaring zo leerrijk". In het Abraham House wordt het personeel met miserie in al zijn facetten geconfronteerd. Gebrek aan gezondheidszorg, honger, ongeletterdheid, leven in overbevolkte flatjes, de angst van illegale immigranten om gedeporteerd te worden, de radeloosheid van mensen die met hun kinderen plots alleen komen te staan omdat hun partner in de gevangenis is beland. In de doolhof van kamers en kantoren komen we nog een familielid van Kaat tegen, de al even enthousiaste Elke D'Haeyer uit Oudenaarde. "Mijn moeder is de zus van zuster Simonne", vertelt Elke, "al van in het begin is ze regelmatig een handje komen toesteken." Zelf is ze sinds twee jaar administratief directeur van Abraham House. Voor ik naar huis ga, installeer ik me nog even op de leren bank in de inkomhal. De telefoon rinkelt. De zoemer van de voordeur gaat. Een jongetje in een blauw schooluniform komt vragen om even naar zijn tand te kijken die pijn doet. Zuster Rita, de portier van wacht, kwijt zich van al haar taken met een kwinkslag, intussen hakend aan wat een kleurige bedsprei moet worden. "Iemand heeft me de wol gegeven", zegt ze vrolijk. Ze is afkomstig uit Ronse en al sinds haar jeugd bevriend met zuster Simonne. Ze noemt zichzelf, al te bescheiden, "het vijfde wiel aan de wagen". Ze is verpleegster van opleiding en logistieke coordinator van het Abraham House. "Als je denkt dat het nu druk is dan moet je ’s zaterdags eens komen kijken", zegt ze. "We krijgen dan meer dan driehonderd mensen over de vloer. Ze komen naar de mis komen en blijven eten. Het is ook de dag dat onze gratis winkel open is. Af en toe is er een doopsel, een verjaardag, noem maar op. In zo'n grote familie valt er wel altijd iets te vieren."

www.abrahamhouse.org

13 maart 2008