GOUD

Gisteren,11 september, regende het. Het was al weken geleden dat er nog een druppel viel. Vandaag straalde de zon weer uitbundig. Ik ben in Gold Street, niet ver van Wall Street. Niet alleen de straatnaam is hier goud. Onder de grond, in de kelders van de Federal Reserve bank, ligt een groot deel van ‘s werelds goudvoorraad, waaronder die van Belgie. En hoog boven mijn hoofd zet de avondzon de gebeeldhouwde hoofden, halfnaakte helden, monsters, bloemen, slingerplanten, pilaren en boogramen in de toppen van de antieke wolkenkrabbers in een oud-gouden gloed. Tussen die toppen zie ik hier en daar is een stuk blauwe lucht, een slagroomwolkje dat er haastig door zeilt. Zonsondergang is het begin van mijn lievelingsuur in de kromme, smalle straatjes van de financiele wijk. Vijf minuten van hier staan niet-New Yorkers zoals op elk uur van dag en nacht achter een hoge omheining te staren naar de tergend traag opschietende werken in wat nog steeds ‘ground zero’ wordt genoemd. Hier in Gold Street zie ik niemand die voor toerist kan doorgaan. Vanop een bankje kijk ik naar de stoet van blackberry’s, gsm’s en I-pods. De mensen die eraan gekluisterd zijn, dragen dure kleren die zeggen dat ze vandaag weer veel geld hebben verdiend. Anderen zijn in shorts, bezweet van het joggen langs de rivier of het fitnessen in een van de vele sportclubs in de omtrek. Zes jaar geleden, na de aanslag, maakte de stad zich zorgen of er nog wel mensen in het financieel district zouden willen wonen of werken. Ik twijfelde daar niet aan maar dat de buurt zo snel zo populair zou worden, had ook ik niet verwacht. “Luxury rentals” staat er op een goudkleurig bord aan de ingang van het gebouw voor me. Er loopt een gestadige processie van twintigers en dertigers in en uit, sommigen met baby’s en honden. Een twee-slaapkamerflat in de gloednieuwe 51-verdiepingen-hoge toren kost 5.900 dollar. Je kan dan wel in je eigen gebouw naar een Montessori-school, een restaurant dat nooit sluit en een fitness-club op het eerste verdiep waar ik zo kan binnenkijken. Ik wandel de hoek om naar Maiden Lane, ooit genoemd, zo wordt beweerd, naar de jonge meisjes die er passeerden om op het einde van het straatje water uit de rivier te scheppen. Ook hier loopt een mengeling van jonge mensen in kantoor- en sportplunjes de flatgebouwen in en uit. Sommige van de woontorens zijn omgebouwde oude kantoorgebouwen. Drie fastfood-restaurants staan leeg, de huur werd te hoog. Duurdere zaken zullen in de plaats komen zoals de luxueze supermarkt Gristede’s die in Maiden Lane een prachtige winkel aan het inrichten is. Voor 9/11 was er geen supermarkt in de financiele wijk. Nu zijn er plannen voor verschillende. De buurt rond het voormalig WTC heeft al 10.000 bewoners meer dan voor de aanslag. De laatste vier jaar zijn er 6.000 flats bijgekomen en er zijn nog 5.000 gepland. Voor zo’n eenslaapkamer-flat betaal je 4.000 dollar per maand. Maar geen nood: het gemiddeld inkomen van de huishoudens in het financieel district bedraagt 165.000 dollar per jaar. Ik loop voorbij kapsalon KK. Het is halfacht maar alle stoelen zijn nog bezet. In plaats van overkop te gaan na de aanslag, heeft KK een tweede salon geopend en zijn openingsuren verlengd. Ik wandel weer een hoek om. Wall Street. Aan oude elegante bank- en kantoorgebouwen wapperen vlaggen die lofts en luxe-flats adverteren. Ook hier zijn de bewoners die in en uit de lobby’s waaien zo jong dat ik me op een campus waan. Ik constateer met genoegen dat het Beaux Arts-gebouw op nummer 37, een rood-witte bruidstaart, na jaren leegstand in haar oude glorie is hersteld. Op het gelijkvloers richt juwelier Tiffany een winkel in. “Woon je hier graag?” vraag ik aan een jonge vrouw die met twee volle boodschaptassen wil binnengaan. “It’s heaven on earth”, zegt ze met een brede glimlach. Ze heet Karen en komt uit Texas. Ze verklapt me dat ze een heel goed betaalde baan heeft bij Goldman Sachs. Het is voor mensen als zij dat BMW en Hermes hier onlangs zaken openden. Beslist ze van kindjes te maken dan kan ze die sturen naar de Claremont Preparatory School, een privé-school rechtover de beurs die 27.000 dollar per jaar vraagt per leerling. “Een van de leukste plaatsen in de buurt is Stone Street”, zegt Karen, “ik kom er verschillende avonden per week.” We nemen afscheid. Enkele minuten later probeer ik me een weg te banen door Stone Street. Tien jaar geleden zou ik hier op dit uur wellicht de enige voetganger geweest zijn. Nu staan de kasseistenen in het verkeersvrije straatje vol tafels waarrond honderden mensen zitten te eten, drinken en babbelen. “Het is een van de meest levendige uitgaansbuurten van Manhattan, een stukje Miami Beach verstopt in het financieel district maar dan zonder palmbomen en bikini’s”, schreef een New Yorkse krant onlangs. De overgrote meerderheid van de uitgaanders is blank. Er zijn slechts enkele zwarten. Wat me doet denken aan de nieuwe cijfers van de volkstelling die gisteren werden gepubliceerd. Na tientallen jaren gedaald te zijn, is het aantal blanken in New York in 2006 weer gestegen. Dankzij de toevloed van hoog-opgeleide jonge mensen zoals de menigte hier in Stone Street. De daling van de zwarte bevolking van New York, die begon toen de huren in 2000 de pan uitrezen, zet zich intussen verder. In andere steden gebeurt hetzelfde. Meer en meer stukken binnenstad van Atlanta, Boston, San Francisco en Washington beginnen er als Miami Beach uit te zien. Helaas zonder palmbomen en bikini’s.

12 september 2007