"Hier zijn geen croissants, alleen cannoli’s", zegt eerwaarde Joseph Fonti vanachter zijn altaar. Zijn kudde juicht en applaudisseert. Het is hoogmis in de kerk van Our Lady of Mount Carmel, het hart van de Italiaanse wijk in Williamsburg, Brooklyn. Het volk zit dicht opeengepakt op de kerkbanken. Achteraan staan de laatkomers te roezemoezen. Voortdurend wurmen zwetende mensen zich naar binnen of buiten. Vooraan begint een fanfare een hups feestdeuntje te spelen. Het is vrolijke chaos in de kerk van pastoor Fonti’s en aan zijn gezicht te zien, geniet de rakker ervan. Italiaanse New Yorkers hebben de reputatie goed te kunnen feesten. Vandaag is het dubbel feest: niet alleen is het de jaarlijkse "Giglio" (nee, niet 'gigolo') maar ook is het de Worldcup-finale. "Laat ons bidden opdat Italie mag winnen", zei pastoor Fonti daarnet nog. Amen. De hoogmis is gedaan, de processie kan beginnen. "Het zal wel weer veel later worden", zegt een hele dikke, zwaar opgemaakte dame met ravenzwart gecrepeerd haar. Fellini zou haar ter plekke een filmrol hebben aangeboden. De donna heeft gelijk. Het duurt nog twee uren voor de processie op gang komt. Niet dat men zich intussen verveelt. De straat voor de kerk staat vol met kraampjes met kermisspelen, met paternosters en heiligenbeeldjes, met sigaren en bovenal met eten. Hopen, bergen, torens eten. Het Mediterraan dieet mag dan wel gezond zijn maar de Italiaanse New Yorkers hebben er een van het vet druipend potje van gemaakt. De populairste lekkernijen hier zijn grote pikante worsten, niet met broodjes maar met broden, en superporties zeppole, een gefrituurde deeg met ricotta in, besprenkeld met bloemsuiker. Nooit heb ik zoveel blanke, vette, glimmende mensen samen gezien in New York. Ze smullen en smossen, ze schateren, omhelzen en kussen. Dit volkje amuseert zich tenminste. In het sigarenkraam is er voetbal op drie schermen. Rookwolken puffende, gewichtig kijkende heren staan er rond, sommige met gouden kettingen en schapulieren rond de nek. Ze hebben meer aandacht voor elkaar dan voor het spel. Ze juichen wel als de Italianen scoren maar beginnen dan weer te kletsen. Alleen doelpunten en de zege tellen. In een zetel voor een tuin zit een supervette, oude kale man onder een spandoek waar "Capo nr 1!" op staat. Jonge mannen staan aan te schuiven om hem te mogen kussen. "Aandacht! Willen alle dragers zich verzamelen aan de Giglio?" vraagt een stem door de luidspreker. Nerveuze opwinding golft door de massa. Eindelijk! Niet dat de processie nu meteen vertrekt maar het gaat de goede kant uit. Vijftien mannen, waaronder de pastoor en de fanfare, stappen op het met bloemen en heiligenbeelden versierde draagplatform. In het midden daarvan is er een meer dan 20 meter-hoge obelisk. Op de top daarvan staat het beeld van San Paolino, de patroonheilige van de Italiaanse immigranten uit de Mezzogiorno. Hier in Williamsburg kwamen velen uit Nola, waar Paolino bisschop was. In 410 vielen piraten het stadje binnen. Paolino vluchtte met de kinderen maar toen hij terugkeerde hoorde hij dat de jongemannen van Nola ontvoerd waren en als slaven zouden verkocht worden. Hij bood zichzelf aan in ruil voor de jongemannen en om of een of andere reden vonden de piraten dat een goede deal. Een Turkse sultan hoorde ervan. Door zijn bemiddeling werd Paolino vrijgelaten. Bij zijn terugkomst in Nola werd de bisschop door de dankbare bevolking overstelpt met "gigli", witte lelies. Sindsdien wordt die gebeurtenis jaarlijks herdacht met een Giglio. In Williamsburg doen ze het al sinds 1903. Het is een hele eer om het platform te mogen dragen, al is het volgens de kerk een vorm van boetedoening. Berouwvol zien ze er niet uit, de dragers. Ze feliciteren elkaar, wat met zoenen en omarmingen gepaard gaat. Ze zijn met 112, allemaal stevige kerels die zich opstellen in rijen van vier. Ze trappelen, snuiven en zweten als nerveuze paarden. De Capo of baas (van de processie) geeft een teken met zijn stok en de fanfare speelt het Giglio-lied. Op de laatste noot tillen de dragers, hops, de hele toren in de lucht. Urenlang duurt het voor het vier ton wegende monster de volgende straathoek bereikt. De dragers gaan voor- en achteruit, ze doen de toren deinen, op en neer wippen en draaien er zelfs hele rondjes mee. Om de paar meter roept de Capo "Acconge i cosce" ( "Strek de benen"), gevolgd door "Aggiet!" (Smijt er mee!). Bij dat laatste bevel buigen de mannen door de knieen waardoor de giglio met een daverende klap op het wegdek bonst. Het publiek gilt telkens van plezier en van opluchting dat de hele santeboetiek niet naar beneden is gedonderd. Enkele uren later - Italie won intussen de World cup- is de toren op zijn bestemming. Hij staat nu vlak tegenover een ander, kleiner platform dat ook processiegewijs door de straten ging. Op dit platform, getorst door 90 mannen, staat een blauwe boot waarin een orkest speelt en vier mannen in vaag Turks aandoende tenues met sabels zwaaien. De hevig zwetende mannen op beide platformen staan nu dicht genoeg om elkaar de hand te reiken. Ze hebben nog een week feesten voor de boeg.
12 juli 2006