BRAND

Precies een week geleden ben ik heel bang geweest. Luid gebonk op de voordeur rukte me uit mijn slaap. Mijn hond blafte als gek. Ik keek op de klok naast mijn bed: kwart na vier. We stormden naar beneden. Ik hoorde mezelf roepen tegen Tom: “Kijk eerst wie het is voor je opendoet. Kijk eerst!”. Het was Phil, onze buurman. “Jullie tuinhuis staat in brand!” riep hij, zijn gsm aan zijn oor want, zo vertelde hij later, hij had de brandweer aan de lijn. We holden door de gang naar de keuken die baadde in een oranje gloed. Toen we op het terras stonden, wist ik meteen dat er van het brandend tuinhuisje niets meer zou overschieten. De vlammen spoten wel zes meter hoog. De hitte was intens. “Mijn fiets! Mijn fiets!” riep ik alsof er op dat moment niets belangrijker was. Hij stond op het pad naast het huis dat naar het tuinhok leidt. Ik was bang dat hij zou smelten of in de weg zou staan van de pompiers die intussen al met loeiende sirenes de straat waren ingestoven. Tom grabbelde de fiets en droeg hem van het vuur weg. Aslan trok aan haar leiband. Het hondje probeerde de brand met hard blaffen weg te jagen. Tom zijn brandbestrijding was nauwelijks efficienter. Nadat hij het brandblusapparaat had leeg gespoten zonder zichtbaar resultaat ging hij de vlammen te lijf met de miserabele tuinslang. “Het is te heet”, riep hij, “ik kan er niet dicht genoeg bij!” Er klonk een knal gevolgd door gerinkel. De glazen tuintafel was uiteengespat. De vlammen likten de takken van de grote boom naast het hok; even waren we bang dat ze via de boom naar het huis zouden springen. Maar gelukkig waren de pompiers daar. Een heel leger vulde ons tuintje. In de straat stonden wel acht brandweerwagens. Het was niet het moment maar ik voelde me doodbeschaamd. Heel de buurt was zonder twijfel wakker. Al die mensen die door onze schuld onuitgeslapen zouden zijn. Ik dacht aan mijn broer André, wiens tuinhuis een tijd geleden ook in brand is gevlogen. ‘Het is erfelijk’, ging er door mijn hoofd.

De pompiers richtten hun spuit eerst op onze achtergevel, waarvan de vinyl-bekleding al begon te smelten. Daarna werd de brandhaard snel en vakkundig gesmoord. De rokende ruine werd doordrenkt tot er alleen nog damp uitkwam. Dan werd het stil in de tuin. Niet helemaal want de krekels waren al terug aan het tsjirpen. “Are you satisfied?” vroeg de commandant aan een collega. “I am satisfied”, zei die. “4.50 a.m., operation concluded, no injuries”, zei de commandant aan een soort secretaris die alles noteerde. Dan gaf hij Tom een hand en leidde zijn legertje, in indiaans gelid, de tuin uit. De laatste acht pikten de brandslang op.

Die scene heeft Tom me verteld want zelf kon ik niet blijven kijken naar de bluswerken. Ik heb de hond meegenomen naar boven en met de gordijnen dicht gewacht tot ze achter de rug waren. Daarna ben ik naar de straat gegaan om de brandweermannen te bedanken. “That’s what we are here for”, zeiden ze en: “You’re welcome”. Het was ook weer niet het moment maar het viel me op dat er verschillende knappe gasten tussen zaten en dat ik er belachelijk uitzag in de lange gele Indische rok die ik in mijn haast had gegrabbeld en tot onder mijn oksels had opgetrokken. Mijn grootmoeder had nog maar eens gelijk. Je moet altijd een slaapkleed aandoen want je weet nooit wat er kan gebeuren. Natuurlijk geraakte ik daarna niet meer in slaap. Toen het licht werd, ging ik de schade bekijken. Van het tuinhuis bleven nog enkele verkoolde balken van de muren en het dak over. De uil die Tom op het dak had gemonteerd was een gestold plasje plastiek geworden. Rondom rond in het tuintje waren er planten en bomen verschroeid. De bloempotten op het terras waren gebarsten. De railing was zwart geblakerd. De gesmolten vinyl aan de achtergevel leek op draperieen.

Vorig jaar deed de New Yorkse brandweer er gemiddeld slechts vier minuten over om na een brandmelding ter plaatse te zijn. Haar snelheid heeft wellicht ons huis gered. Maar van de inhoud van het tuinhuis dat ook dienst deed als slaapkamer van onze straatkat en als bureau van Tom schoot vrijwel niets meer over. Hij is veel kwijt.

Heel die dag dacht ik: ‘wat als…’ Wat als de buurman niet was opgestaan om te gaan plassen en dus de brand niet zou opgemerkt hebben? Wat als het hard gewaaid zou hebben? Wat als de brand zou overslagen zijn op het huis? De hond wandelen was een hele karwei. Iedereen van de buren die me kende, wou het verhaal horen en daarbij hun verhaal vertellen. De ene was wakker geworden van de rookgeur, de andere van het lawaai van de sirenes… Dat het me speet dat ze waren wakker gemaakt, wou niemand horen. Het is al bij al nog goed afgelopen, zeiden ze allemaal. Ze hebben gelijk. Zoals de commandant zei: “no injuries”. Just stuff...

12 september 2008