Overgang

Vroeger probeerde ik ook tijdens mijn vacanties fanatiek elke dag het nieuws te volgen. Op een of andere manier gaf me dat het gevoel enige controle te hebben over wat er in de wereld gebeurde. Ook deze illusie sneuvelde op 9/11. Sindsdien ben ik er gerust in. Ook tijdens mijn twee weken in Corsica heb ik er geen moeite mee. Of ik het nieuws volg of niet, ik weet in grote lijnen toch wat er gebeurt: domme ruzies, aanslagen, oorlog, natuurrampen, corruptie… Maar na zestien vredige dagen in wilde berglandschappen en op verlaten stranden hunker ik toch naar New York. Ik blijf, bij wijze van overgang, eerst nog twee dagen in Nice hangen. Terug in een grootstad maar nog aan de Middellandse zee, waar al enkele dappere ‘ijsberen’ in rondploeteren. Op de zonovergoten Promenade des Anglais wemelt het van volk dat van overal komt: Fransen, Italianen, Arabieren, Engelsen, Japanners, Russen, opvallend veel Amerikanen… Wat me ook opvalt, is dat er in Nice veel mooie mensen rondlopen. Ligt het aan het milde klimaat of het gezond vers eten? In het straatbeeld bespeur ik ook behoorlijk wat mannelijke exemplaren die niet wegsteken dat ze alleen oog hebben voor elkaar. Altijd opluchtend om ergens rond te lopen waar mensen zichzelf kunnen zijn. Ik zie zelfs vormen van tolerantie die ik me in het New York van vandaag niet meer kan voorstellen. Smak op het drukke strand voor de Quai des Etats Unis tel ik, naast twee openlucht-douches, twintig eenpersoonstentjes, het ene al in betere staat dan het andere. Her en der liggen kleren, kookgerief en vuilnis. Ik sta in een daklozenkamp met zicht op verschillende luxehotels. Ik neem me voor om met de bewoners een praatje te slagen maar ik aarzel. Een groepje blanke dakozen zit luidruchtig dronken te kwebbelen rond een tafeltje vol lege en halflege flessen wijn en pastis. De anderen - een tiental Arabisch uitziende mannen- zitten ver van hun zatte lotgenoten rond een tafel zonder flessen. Geen van beide groepen ziet er uitnodigend uit. Ik druip af als een schichtige hond.

Niet ver van ons hotel, een laat-19de eeuwse bonbonniere op tien minuten van het strand, blijf ik staan bij een speeltuin die, zoals alle speeltuinen, goed aangeeft welk soort volk er in de buurt woont. Hier zie ik vooral kindjes met blanke, goedgeklede, niet meer zo jonge ouders. Sommige papa’s hebben al grijs haar. In de straten rond het park met de speeltuin zijn er heel wat boekenwinkels, chique restaurants, ‘welness-centers’ en winkels van kunstbenodigdheden. In New York zijn dat tekenen van serieuze welvaart. Het zal in Nice wel niet anders zijn. In de etalages van de boekenwinkels zijn er veel reisboeken uitgestald maar geen enkel over ‘les Etats Unis’. Is dit toeval of een politiek commentaar? De eerste ochtend aan het ontbijtbuffet, nadat Tom een broodje in de kom fruitsla heeft laten vallen, vraagt een Franse dame of we Vlaams zijn. Dat heeft ze goed gehoord. Ze wil ook weten van waar ik ben. “D’entre les tours de Bruges et Gand”, zegt Tom, “zoals in het liedje van Jacques Brel.” Maar dat blijkt ze niet te kennen. Ze is nochtans cultureel zeer onderlegd, zo verzekert ze ons. En bereisd. Ze heeft de halve wereld gezien. Maar Amerika interesseert haar niet. Ze kan niet begrijpen dat ik in New York wil wonen. “De mensen zijn daar vet en lomp en er is geen vers eten.” Is ze er al geweest? “Nee. Maar ik heb van verschillende mensen gehoord hoe het daar is. Amerika trekt me niet aan. Frankrijk is het beste land ter wereld. We hebben hier werkelijk alles.” Enfin. Madame is duidelijk een van die “imbeciles heureux qui sont nés quelque part”, zoals haar landgenoot Georges Brassens hen zo mooi omschrijft. Maar we informeren niet of dat chanson in haar culturele bagage zit.

De volgende ochtend op de luchthaven snap ik waarom we zoveel Amerikaans hoorden op de Promenade des Anglais. Ons vliegtuig naar New York zit vol met mensen van het informatica-bedrijf Gartner die hier voor een snoepreisje waren. “We waren met 400 in totaal”, zegt het New Yorks meisje achter me. “Vorig jaar heeft het bedrijf ons beloond met een reis naar Nieuw-Zeeland en volgend jaar mogen we naar Thailand”. “En helpt dat om je harder te doen werken?” vraagt de sceptische freelancer die ik ben. “Absoluut!”, zegt ze enthousiast. Onze vliegreis begint schitterend met een vlucht over de besneeuwde Alpen. Acht uur later, in de rij voor de paspoortcontrole, staren we naar de televisieschermpjes waar beelden op te zien zijn van de moordpartij die ochtend in Virginia Tech. “Welcome in America”, zegt de Chinese man voor me met een pijnlijke grijns. “Verschrikkelijk”, antwoord ik hem, “en te bedenken dat er in Irak elke dag zo’n dingen gebeuren”. “Tweeendertig doden zou daar een kalme dag zijn”, zegt de man. De volgende dag vallen er in Irak 28 doden, de dag daarna 220. Het is hetzelfde nieuws als voor mijn vacantie, alleen nog wat uitzichtlozer. Er is niets nieuws te melden. Of toch. Voor de oevers van Brooklyn zwemt er al twee dagen een jonge walvis. Geen mens die weet hoe lang het dat al geleden is.

18 april 2007