WOONSERRES

Het is altijd wat als je in een oud huis woont. Maar een luxe-flat is ook niet alles

Het eerste wat mijn grootvader op zijn huwelijksnacht moest doen was de konijnen vangen die grapjassen in zijn zolder hadden losgelaten. "Ik dacht dat er dieven in huis waren", zei mijn grootmoeder telkens als haar kleinkinderen vroegen om het nog eens te vertellen. Ik moest aan haar denken toen ik vanmorgen werd opgeschrikt door wild getrippeltrappel op de houten zoldervloer boven mijn slaapkamer. Dieven konden het niet zijn. Die zou onze hond niet hebben binnengelaten. Muizepootjes konden onmogelijk zoveel lawaai maken. Ratten misschien? Of wacht eens. Verleden week had Tom, net als vorig jaar, de schade hersteld die een eekhoorn had aangericht door onder ons dak een nest te bouwen voor de winter. Pluimstaart was zeker teruggekeerd om wraak te nemen. In tegenstelling tot de meeste toeristen in New York die de beestjes zo charmant vinden, haat onze hond eekhoorns. "Naar de zolder", wees ik haar. Drie tellen later stoof ze in woeste achtervolging drie verdiepingen naar beneden waar ik de voor- en achterdeur wijd had opengezet om Notenkraker een kans te geven om te ontsnappen. We dachten dat we hem kwijt waren maar enkele uren later vonden we hem in de keuken achter de blinden. Met een houten lepel porde Tom hem naar de open deur. Met een grote sprong vloog hij de tuin in en Tom kroop nog maar eens het dak op om de verse schade te herstellen.

Het is altijd wel iets als je in je eigen huis woont, zeker een houten zoals het onze dat intussen negentig jaar oud is. In een stad als New York waar je niet naast de vele luxueuze woontorens kunt kijken, denkt een mens wel eens hoeveel makkelijker het zou zijn om daar te wonen. Als er iets scheelt aan je flat bel je gewoon even de 'super', zoals de concierge in New York wordt genoemd, en die zorgt er wel voor dat het probleem wordt opgelost.

Dat is de theorie. In praktijk blijkt het zo mooi niet, zelfs niet voor bewoners van de nieuwste luxe-flats. De laatste jaren zijn er in heel de stad 'condominiums' (luxe-gebouwen waar de bewoners eigenaar zijn van hun flats) opgeschoten als paddestoelen. Hoe meer glas hoe beter, zo leek het wel. Het begon allemaal met de drie glazen flatgebouwen die sterarchitect Richard Meyer in 2003 neerplofte in Greenwich Village. Links en rechts van Charles Lane, een piepklein, smal steegje met kasseistenen van het Parijs-Roubaix-kaliber. Daarna wou elke architect die zichzelf een beetje serieus nam hetzelfde doen. De glinsterende paleizen met glas van de vloeren tot aan de plafonds en uitzichten van hier tot ginder werden in de reclame aangeprezen als de hemel op aarde. Maar helaas, er blijkt wat te schorten in het paradijs. Meer en meer bewoners hebben klachten bij de vleet over hun droomappartementen. De daken en ramen lekken. De beton van de balkonnen brokkelt af. In de winter is het te koud en in de zomer te heet omdat de verwarmings- en airco-systemen te zwak zijn voor de woonserres. Steeds meer eigenaars nemen advocaten onder de arm om de bouwheren processen aan te doen. Als nieuwe eigenaar heb je in New York drie jaar tijd om klacht in te dienen. Advocaten voorspellen dat er in de komende jaren een lawine van klachten zal komen over de glazen flats. In 2007 alleen al werden er 7.000 gebouwd. Een vriend die enkele jaren geleden in een ervan ging wonen, zegt dat door de gebrekkige isolatie niet alleen de kookluchtjes maar ook sigaretterook van andere bewoners zijn woning binnen dringen. Ook dat zijn veelgehoorde klachten. Ingenieurs die op inspectie worden uitgestuurd, rapporteren nog veel ernstiger defecten. Zo blijkt dat in vele van de nieuwe glazen gebouwen te weinig brandwerend materiaal is aangebracht in holle ruimten waarlangs vuur en rook zich kunnen verspreiden van het ene verdiep naar het andere. Een architectenfirma die was aangeworven om 35 gebouwen te inspecteren, stelde de potentieel levensgevaarlijke overtredingen vast in een derde van de gebouwen. Geef mij al bij al toch maar mijn oude houten stulp, eekhoorns en al.

11 november 2009