STADSOOGST

"Dit is je halte", zegt de buschauffeur. Het sneeuwt een beetje. Ik zie geen voetgangers. Alleen vrachtwagens rijden claxonerend af en aan. Ik sta aan Hunts Point, volgens de stadsoverheid de grootste vlees-, vis-, fruit- en groentemarkt ter wereld, gelegen in een oud industriegebied in de South-Bronx. Zo groot is die markt dat ik een half uur nodig heb om langs de hoge omheining van het ene uiteinde naar het andere te stappen. Dat doe ik omdat mijn vriendelijke buschauffeur me aan de verkeerde ingang heeft afgezet. De persconferentie is al begonnen als ik de magazijnen van de 'Food Bank' bereik. Alle camera's zijn gericht op het bleke, vermoeid uitziende, wat stuurs kijkende gezicht van filmacteur Kevin Beacon. Hij heeft een witte schort aan waar Food Bank op staat en kleeft etiketten op blikjes. Achter hem doen vijftien giechelende jongens hetzelfde. "Dit zijn blikjes die van de band zijn gekomen zonder etiket. Hoewel er niets mis is met de inhoud, in dit geval boontjes, kan de fabriek ze niet kwijt aan de winkels en geeft ze daarom aan ons", legt Food Bank-woordvoerder Tyrone Harrysingh uit. Kevin Beacon is opgetrommeld om de aandacht te trekken op een nijpend probleem, niet alleen in New York maar over heel het land: de voedselschenkingen aan liefdadigheidsorganisaties zoals Food Bank zijn de laatste jaren gestadig gedaald terwijl het aantal armen dat voedselhulp nodig heeft schrikwekkend is gestegen. "De Food Bank verdeelt voedsel aan meer dan 1000 gaarkeukens en gratis-winkels in New York", vertelt Harrysingh met een zangerig Caraibisch accent, "Drie jaar geleden verdeelden we nog 2267 ton eten per maand, dit jaar zijn we aan amper 590 ton geraakt. Het is hetzelfde liedje in heel het land. En dat in het rijkste land van de wereld!" De cameraploegen vertrekken, tot zichtbare opluchting van Kevin Beacon. Terwijl de acteur vrolijk gabbert met zijn collega-etikettenplakkers, neemt meneer Harrysingh me mee voor een rondleiding door de magazijnen. "Ik werk hier al zeven jaar maar het is de eerste keer dat ik zoveel lege rekken zie", zegt hij met een zorgelijke blik. "Dat is een ramp want er zijn 1,3 miljoen New Yorkers die op ons rekenen". Hij somt de oorzaken op. Terwijl de armoede is gestegen zijn de overheidsschenkingen van landbouwoverschotten sinds 2003 met 50 procent gedaald. Het inventarisbeheer van grootwarenhuizen en andere winkels is veel efficienter geworden waardoor ze minder overschotten hebben. Bedrijven kunnen hun onperfecte producten, zoals blikjes met scheef gekleefde etiketten, meer en meer verpatsen aan discount-winkels die steeds meer volk trekken. Voedselverzamelingen leveren minder op. Veel mensen die vroeger gaven zitten nu zelf nipt bij kas. "Vroeger stuurden we dagelijks tien vrachtwagens de baan op, nu zijn we blij als we er drie of vier kunnen volladen."

Eigth Avenue, de volgende ochtend. Toeristen die uit de hotellobby’s komen, schrikken zichtbaar van de ijzige westenwind. Ik zit lekker warm op de voorbank van een witte vrachtwagen waar in grote letters City Harvest (Stadsoogst) op staat. “Er werken 80 mensen voltijds bij City Harvest”, vertelt mijn gids, Erin Hoover. “In tegenstelling tot de Food Bank verdelen wij vooral eten dat nog dezelfde of de volgende dag moeten worden geconsumeerd. Daar komen veel hygienische voorschriften en organisatie bij kijken. We helpen zo’n 260.000 New Yorkers per week. Vorig jaar hebben we meer dan 9500 ton eten verdeeld." Onze eerste halte is het nieuwe kantoorgebouw van The New York Times. In de kraaknette restaurant van de krant ruikt het naar verse soep. De chef komt ons groeten. Uit een kolossale koelkast haalt hij drie grote plastiekzakken. De eerste is gevuld met belegde broodjes, de tweede met gebak en de derde met bereide schotels. Niet veel later stoppen we aan het Travelers Hotel. Met elk een zak eten lopen Erin, chauffeur Jonathan en ik de smalle, groezelige trap op. In een versleten eetzaaltje zitten enkele mannen te ontbijten. Directeur Tomas Obrzut neemt onze zakken in ontvangst. In zijn piepklein kantoortje vertelt hij over zijn levenswerk. "We verschaffen momenteel onderdak aan 34 mannen en een transsexueel. Deze laatste heeft het hier wel wat moeilijk en gaat binnenkort verhuizen. Voor ze hier woonden, leefden ze allemaal op straat. De meesten hebben psychische problemen. We proberen hen te helpen op eigen benen te staan. Zonder de hulp van groepen als City Harvest zou dit project niet overleven." Onze volgende halte is Sullivan Bakery, een van de beste bakkerijen van New York. We zeulen er zakken vol verse knapperige broodjes naar buiten. "We geven elke dag zo’n 80 kilo brood aan City Harvest", zegt de baas. Daarna stoppen we aan Whole Foods, de duurste en grootste keten van bio-eten in New York waar we drie dozen perfect uitziende rijpe bananen en twee zakken belegde broodjes krijgen. Dan rijden we naar Perse, een van de duurste restaurants van de stad. Enkele uren later ligt onze koelwagen boordevol. In de grote gaarkeuken in Harlem waar we onze buit gaan leveren, worden we met applaus onthaald. "Soms eten de mensen die we helpen beter dan wij", zegt Erin trots. " Sommige van de beste hotels, restaurants, traiteurs en markten laten ons hun overschotten ophalen. Vroeger ging alles de vuilnisbak in. Maar er wordt nog steeds heel veel weg gesmeten. Het zou mooi zijn als we alles zouden kunnen recupereren. Maar het zou nog mooier zijn als groepen zoals City Harvest en Food Bank niet meer nodig zouden zijn.”

10 december 2007