ROOKSIGNALEN

Het is nog vroeg in de ochtend als ik, op weg naar de ferry, langs het plaatselijk bijstandskantoor passeer. Er staan zo’n twintig vrouwen en mannen te wachten en meer dan de helft daarvan is aan het roken. Nu een pakje sigaretten al meer dan 9 dollar kost in New York –het duurst van heel het land- moet hun verslaving een flinke hap bijten uit hun toch al krappe maandelijkse toelage. Ik vermoed dat ik niet de enige ben onder de voorbijsnellende voetgangers die dit denkt, zeker nu het leven elke dag duurder wordt en het economisch nieuws elke dag slechter. Maar misschien betalen die bijstandtrekkers minder voor hun rookgerief dan we denken. Enkele dagen geleden vroeg mijn Liberiaanse buurjongen Jonas me of ik geen Newports wou kopen. Jonas is een ondernemende knaap. Eerder had hij me gevraagd of hij geen karweitjes voor me kon opknappen. Het speet me dat ik hem weer moest afpoeieren. “Thank you, but I don’t smoke”. Beleefd als hij is wenste hij me nog een prettige dag.

In de uitgestrekte staat New York wonen slechts 20.000 indianen in reservaten. Toch werden er in 2007 zes miljard sigaretten verkocht. Lorrilard, de maker van Newport, verkocht vorig jaar 5 procent van zijn omzet aan New Yorkse indianenreservaten. Tom kocht vroeger zijn sigaretten van hen online maar die lucratieve handel werd de indianen inmiddels verboden. De reservaten zelf echter bleven taksvrije supermarkten waar enorme winsten werden gemaakt. De eigenaar van een sigarettenwinkel in het Poospatuck-reservaat in Long Island, beschuldigd van belastingsontduiking, had er onlangs geen moeite mee om uit eigen zak een borgtocht 54 miljoen dollar te betalen voor zijn voorlopige vrijstelling. De 279 Poospatucks wonen in het reservaat dat het dichtst bij de stad ligt. In 1996 werden er 406.000 sloffen sigaretten verkocht, vorig jaar 11,3 miljoen sloffen. Het 20-hectaren grote reservaatje is een drukke taksvrije bazaar geworden. De sigaretten worden in de stad gesmokkeld, krijgen namaak-taksbandjes opgekleefd en worden dan doorverkocht aan winkels en straatverkopers zoals Jonas. Het overgrote deel van de sigaretten in New Yorkse reservaten passeert langs twee stammen –de Poospatucks en de Seneca’s in het westen van de staat.

New Yorks burgemeester Michael Bloomberg kan het niet langer aanzien. “De stad en de staat verliezen elk jaar meer dan één miljard aan belastingsinkomsten”, briest hij op een persconferentie. Met de hete adem van de financiele crisis in haar nek, kan de stad dit niet meer door de vingers zien. Bloomberg heeft nog andere argumenten. De illegale goedkope sigaretten belanden vooral in arme buurten waar het aantal rokers en ziekten veroorzaakt door tabak het hoogst zijn. We moeten de armen voor hun eigen goed meer doen betalen zodat ze stoppen, zo redeneert de burgemeester. Hij kondigt prompt een proces aan tegen acht sigarettewinkels in het Poospatuck-reservaat. Met de Seneca’s ligt hij al in een proces verwikkeld. Maar die bijten van zich af. In 1997 blokkeerden ze een drukke autoweg om hun recht om tabak te verkopen aan niet-bewoners van hun reservaat te vrijwaren. Het parlement van de staat heeft hen dit recht inmiddels ontnomen maar de gouverneur heeft die wet nog niet getekend, uit vrees dat er weer boel van komt. In de rechtbank gaat het steekspel voort.

En ook daarbuiten. De ferry legt aan, honderden passagiers schuiven voetje voor voetje naar buiten. We zijn in open lucht maar staan dicht opeengepakt. Niet ver van mij steekt een man een sigaret op. “Kun je echt geen halve minuut wachten?”, vraagt een vrouw kwaad. “En dat in zijn conditie”, zegt een man luid genoeg om hoofden te doen draaien. De roker ziet er inderdaad niet te best uit. Hij is veel te vet en leunt zwaar op zijn wandelstok. “Doe dat ding uit”, sist iemand anders, “ik heb geen zin om mee te roken.” De roker is ofwel doof ofwel begrijpt hij geen Engels ofwel doet hij alsof. Hij blijft roken.

“En wat zei jij? vraagt Tom als ik hem dit later vertel. “Niets”, zei ik. Het is nog waar ook. Ik kan zien dat hij moeite heeft om het te geloven.

10 oktober 2008