Fleet Week

"Scheer je weg", roep ik, mijn vuist in de lucht schuddend. Niet dat iemand me kan horen. Het lawaai van de twee rode Cobra-helicopters die gevaarlijk laag boven mijn huis vliegen, is daarvoor te oorverdovend. Ik ben in New York gewoon geraakt aan helicopters maar dit zijn oorlogstuigen. Mijn ramen ratelen. De vogels fladderen verschrikt tsjilpend door de lucht. De poes die daarnet op mijn schoot lag, is nergens meer te bespeuren. Ergens begint een autoalarm te loeien. De helicopters keren nog vijf keer terug, telkens met groot kabaal. Kwaad en nerveus ga ik weer aan mijn bureau zitten. Normaal word ik rustig van het zicht dat ik hier heb op de baai maar nu niet. Ik kijk pal op zes grimmige, grijze oorlogschepen die zij aan zij liggen aangemeerd. Ze liggen daar al drie dagen. De helicopters en de schepen zijn in New York in het kader van Fleet Week. Dat is de jaarlijkse orgie van militair machtsvertoon die sinds twintig jaar in de stad wordt gehouden. De schepen hebben 3.000 matrozen meegebracht. De helft daarvan zit op de schepen die ik zie liggen. De andere helft zit op het helicopter-vliegdekschip USS Wasp dat in Manhattan is gemeerd.

Twee dagen later. Het is Memorial Day, de dag waarop Amerika zijn oorlogsdoden herdenkt. Ik fiets langs de kaai waar de oorlogsschepen liggen. Net als de vorige vier dagen staan er honderden mensen in de hete zon aan te schuiven om ze te bezoeken. Twee mannen helpen een groep mensen in rolstoelen uit een bus. Een andere bus lost net een scoutsgroep. Aan hun kledij te zien, zijn alle belangstellenden heel gewone mensen. Er staat geen chique of hip volk in de rij. "We hebben dit jaar 33 procent meer bezoekers”, zei een organisator van Fleet Week vanmorgen op het nieuws. Dat volgde vlak op het bericht dat er in Irak weer vijf Amerikanen gesneuveld waren. Volgens de jongste poll vindt 61 procent van de Amerikanen nu dat de invasie van Irak fout was. Ik vermoed dat de meesten die hier in de rij staan daar anders over denken. Tien minuten later fiets ik langs een rood granieten monument voor de gesneuvelden. Tien grijze mannen in donkerblauwe uniformen staan er in een halve cirkel rond. Tien oudstrijders zonder publiek, een enkel bloemenkransje waarvan de bloemen niet eens echt zijn en een fontein die treurig op halve kracht spuit. Aan de overkant van de baai in Brooklyn is er op datzelfde ogenblik een herdenkingsplechtigheid bezig in Greenwood Cemetery voor de slachtoffers van de burgeroorlog (1861-1863) waarin 600.000 Amerikanen sneuvelden. Tot enkele jaren geleden dacht men dat er 200 van hen in Greenwood waren begraven. Toen men nog eens goed keek, bleek dat er nog 2998 meer lagen, wiens grafstenen waren gestolen, verbrokkeld of weg gezonken onder het gras.Vandaag krijgen de eerste 1200 ervan een nieuwe witte grafsteen. Terug thuis staat er een bericht op mijn antwoordapparaat van onze vriend Mike. Hij nodigt ons uit naar een betoging tegen de oorlog in Irak op de kaai waar de zes schepen liggen. Maar ik heb een afspraak in Manhattan. Op weg daar heen passeer ik langs de kade waar de USS Wasp ligt. Hier staan ruim 700 mensen aan te schuiven.

De volgende ochtend. Morgen vertrekken de oorlogsschepen. Dit is de laatste dag waarop ze kunnen bezocht worden. De rijen zijn al ellenlang. Er staan tweehonderd kinderen bij in het wit-groene uniform van St Joseph's, een katholieke privé-school. Ze babbelen opgewonden. Wat een schoolreisje. Vandaag fiets ik de rij niet voorbij. Ik sta er zelf in, op zijn zachtst gezegd ietwat onwennig. Naast mij staat mijn buurman Jesse. Ik belde hem gisteravond. “Ik wil je interviewen voor mijn volgend boek”, zei ik, “en omdat jij ooit bij de Navy was, dacht ik: wat als we het interview doen terwijl we die schepen bezoeken?” Jesse vond het een goed idee. "Het is van de jaren zestig geleden dat ik nog op een destroyer ben geweest", vertelt hij terwijl we aanschuiven. Hij loopt er weer schattig bij in een groene bermuda-short, een gebloemde t-shirt, witte kousen, een geel petje en een oranje zonnebril die scheef op zijn neus staat. Ik kan me die zachtmoedige zwarte homo moeilijk als militair voorstellen. Wat trok hem aan? "Het leuke uniform, de jongens en de verre reizen", zegt hij. "Ik nam dienst in 1962. Ik was zo jong, het idee dat ik in een oorlog zou kunnen belanden, kwam niet in me op. Er waren toen slechts elf zwarte officieren bij de Navy. Ik was er een van. Gelukkig was ik al uit de Navy toen de oorlog in Vietnam begon." Als we aan de loopplank komen, geeft Jesse de officier die de bezoekers aan boord laat een militaire groet. “Sir! Requesting permission to board!”, zegt hij. “Permission granted”, zegt de man, een grijns onderdrukkend. Op het schip krijgen we allerlei vervaarlijk wapentuig te zien en de centrale controlekamer met een heel bataljon computers. Onze gids is een wat treurig kijkende Puertoricaanse jongen die ons toevertrouwt dat hij zijn ouders mist.We worden aangemoedigd om de automatische wapens te betasten die uitgestald liggen op lange tafels. Ik bedank maar de jongetjes van St. Joseph tasten gretig toe. Jesse begint er in te komen en praat honderduit over zijn Navy-ervaringen tegen de matrozen. Ik kan zien dat ze moeite hebben om te geloven dat die rare snuiter een van de hunnen was. Anderhalf uur later loop ik opgelucht de loopplank af. Jesse geeft eerst nog een stramme militaire groet aan een streng kijkende officier met veel strepen op zijn mouw. Hij groet zowaar terug.

1 juni 2007