Januari was ongewoon mild in New York. Gelukkig, want de verwarmingskosten zijn het dubbel van vijf jaar geleden. Ook vandaag tonen de weergoden hun solidariteit met het gewone volk. De zon is warm genoeg om handschoenen, mutsen en sjalen thuis te laten en met open anorak langs de Hudson te fietsen. Op het pad naast de rivier is er een vroegtijdige lente-parade van snel bewegende New Yorkers, sommigen in short en T-shirt. De overgrote meerderheid is blank en slank. Ik sla af in Chelsea. Ik wil naar de groentemarkt op Union Square. Aan de poort van de school in de 18de straat staan mensen aan te schuiven. De rij kronkelt de straathoeken rond. Er zijn wel duizend mensen, de meesten latino’s en zwart. Aan een vrouw met een roze gebreide muts vraag ik waarvoor ze in de rij staat. “Voor een proef om bij de stad te werken”, antwoordt ze. Ik wens haar veel geluk. Twee straatblokken verder is er weer een rij, minder lang maar toch enkele honderden mensen. Er staan welgeteld twee zwarte mannen bij, de rest is blank op een handvol Aziaten na. Deze rij is een show van dure jassen, designer-zonnebrillen en kapsels van de beste salons. Ik stap van mijn fiets om me erdoor te wurmen. Het valt me ineens op hoe verroest mijn fiets is. Ik zet hem tegen de gevel van Petite Abeille, een Belgisch restaurantje. “Laat jij altijd je fiets achter zonder hem op slot te doen?” vraagt de Mexicaanse manager die aan de deur staat te kijken naar zijn versperd voetpad. “Heb je dat volk al eens goed bekeken?’, antwoord ik, “dat is niet het soort dat met een oude fiets aan de haal gaat.” Met mijn croissant en mijn chocomelk zet ik me op de houten bank voor het restaurant in de zon. Voor mij schuift de welgeklede rij langzaam voort. Waar gaat ze naar toe? Ik vraag het aan een jongeman die naar mij loenst vanachter zijn boek (“Memoirs of a Geisha”). “Asprey”, antwoordt hij. Ik weet dat een ‘osprey’ een visarend is maar wat is een ‘asprey’? De man kijkt me aan met de onderzoekende blik van iemand die zich afvraagt of hij voor het lapje wordt gehouden. “Weet u echt niet wat Asprey is?” vraagt hij. Ik heb geen flauw benul. De man beloont mijn domme eerlijkheid met een glimlach. “Asprey is een Britse winkel van luxe-artikels op Fifth Avenue”, zegt hij dan, “Ze houden hier vandaag een solde in een loft. Je moet er een uitnodiging voor hebben. Mooie dingen hebben ze. Vorig jaar heb ik een boek op de kop getikt voor 200 dollar dat voor 2000 dollar in hun winkel lag.” Ook hem wens ik geluk toe, al heeft hij dat minder nodig dan de dame met de roze muts. Twee hoopvol wachtende werelden met slechts twee straatblokken tussen in. Onze burgemeester gaf eergisteren zijn jaarlijkse “State of the City”-speech. Zes procent van de New Yorkers zit zonder werk. Dat is wat beter dan vorig jaar toen nog 6,8 procent werkloos was. Volgens officiele cijfers wel te verstaan, het echte cijfer is bijna dubbel zo hoog. Ik vermoed dat velen in de eerste rij werkloos zijn. In de tweede rij zijn er wellicht die in Wall Street werken en een dikke eindejaarsbonus hebben gekregen. Hoewel de beurs stagneerde, waren de bonussen nog nooit zo hoog.Voor de stad betekende dat extra-belastingsinkomsten. Een record aan toeristen en een recordjaar voor vastgoed dikten de stadskas verder aan. “We hebben een surplus”, glunderde de burgemeester. Ja, het leven is tegenwoordig goed voor sommige New Yorkers. Verleden jaar waren de inkomens in Manhattan niet alleen het hoogst van heel New York maar ook van heel het land. De reele lonen stegen er tussen 2002 en 2005 met 5,4 procent. In de andere vier stadsdelen tuimelden ze met 2,9 procent of meer; in Staten Island zelfs met 8,3 procent. Intussen stegen de levenskosten in New York met 4,1 procent, het meest van heel Amerika. Met andere woorden: veel New Yorkers zijn in de laatste jaren verarmd maar het centrum –Manhattan- werd rijker: het aantal bewoners dat meer dan 200.000 dollar per jaar verdient is er 20 procent hoger dan in 2002.
Het is de stad aan te zien. In Manhattan wordt het ene luxe-flatgebouw na het andere opgetrokken. Burgemeester Bloomberg wil zelfs - heiligschennis volgens sommigen- flatgebouwen neerplonken aan de rand van ‘ground zero’. Luc Sante, de Belgisch-Amerikaanse schrijver die ooit een grote fan van New York was, verhuisde niet lang voor de aanslag naar een boerderij. “New York is een rijke, homogene ‘suburb’ aan het worden”, zei hij gedegouteerd. ‘Je overdrijft’, zei ik maar nu denk ik vaak aan zijn uitspraak. Hele wijken in Manhattan en zelfs in Brooklyn zijn in designer-buurten aan het veranderen. ‘De creativiteit wordt gewurgd in New York’, zei Luc. Sommige cijfers lijken hem gelijk te geven. In de laatste vijf jaar daalde de tewerkstelling in de film- en muziekindustrie in New York met 36 procent. Twintig jaar geleden had de helft van alle reclamebureau’s ter wereld hun hoofdkwartier in Manhattan, nu slechts een derde. Duizenden artiesten vluchtten naar goedkopere steden zoals Philadelphia of zoals Luc naar het platteland.
Ik denk aan al die dingen terwijl ik op de groentemarkt tussen overwegend blanken aanschuif voor de kraampjes. Waar ik ook aan denk is dat ik die man van daarnet vergat te vragen welk boek dat dan wel mocht zijn dat 2.000 dollar kostte. Thuis doe ik mijn huiswerk. Ik leer dat Asprey sinds 2003 in de Trump tower zit. Dat toont hoe vaak ik in dat marmeren paleis komen. Ik leer ook dat de winkel 10 miljoen dollar huur per jaar betaalt, een wereldrecord. En verkoopt Asprey boeken van 2.000 dollar? Wel zeker. Hier zie: de eerste editie van “The Chronicles of Narnia”, 2015 dollar.
1 februari 2006