
"You look Greek", zegt de man nadat ik hem in het Engels heb gezegd dat ik jammer genoeg zijn taal niet spreek. Straks geloof ik hem nog. Hij is vandaag al de vijfde persoon die me in het Grieks de weg vraagt. Hij is op zoek naar het café van de Nationale Tuinen, het charmante, wat onderkomen park naast het parlementsgebouw. We praten nog wat. Hij heeft familie in Astoria, de Griekse wijk van Queens, niet ver van onze eerste flat in New York. Van Belgie is hem vooral Brugge bijgebleven. "De mooiste stad van Noord-Europa", zegt hij, "alleen jammer dat het daar zo kil en vochtig is. Ik heb er veel last gehad van reuma. Ik weet niet hoe de bewoners het daar uithouden." Het klimaat van New York beviel hem beter. “Het lijkt op dat van Athene", zegt hij, "behalve in de winter". We nemen afscheid. Ik ga in het gras zitten met mijn rug tegen een brok marmeren pilaar van god weet hoeveel eeuwen oud. De zon doet deugd. Het is mijn vierde dag in Athene. In New York sneeuwde het na ons vertrek twee dagen zonder ophouden. Mijn sneeuwklokjes die al in bloei stonden, moeten nu bedolven zitten onder een halve meter sneeuw. De sukkels. Op mijn ochtendwandeling met de hond van mijn gastfamilie zag ik minstens tien soorten veldbloemen en vijf soorten bomen in bloei. Het gezin woont aan de rand van Athene. Op de laatste braakliggende terreinen tussen de witte nieuwbouw, herinneren nog wat oude olijfbomen, sinaasappel- en citroenbomen en enkele kippen aan een recent landelijk verleden. Later ontbeten we op het terras in de zon. Ik was vergeten dat eind februari zo zoet kon smaken.
Het is zondag. Volgens mijn nochtans recente reisgids is de verkeersvrije winkelstraat Ermou op die dag "verlaten" maar in plaats daarvan heerst er een chaotische drukte. De mensen wandelen tussen koopwaren die op doeken op de grond zijn geetaleerd. Het zijn dezelfde handtassen, sokken, speelgoed, parfum, sjalen, juwelen en speelgoed die mensen op zoveel plaatsen ter wereld proberen te verpatsen om te overleven. In tegenstelling tot het kuierend volk zijn de verkopers allemaal donkerhuidig. Voorbij Ermou, op en rond de vlooienmarkt van Monastiraki, zie ik hetzelfde contrast. De straatverkopers, meestal Afrikanen en Pakistanen, zien er gelaten uit, soms zelfs depressief. Er zit geen enkele dikkerd tussen. Ik bewonder hun taaiheid. Verschillende keren al wuifde onze gastheer aan een rood licht mannen weg die zijn voorruit wilden wassen. "Dat is een relatief nieuw fenomeen", legde hij uit, "ik bewonder hen wel, ze proberen tenminste eerlijk aan de kost te komen. Ik laat ze mijn ruit wel schoonmaken maar enkel als dat nodig is. Anders is het geen werken maar bedelen." Ik vind het altijd boeiend om te horen welke systemen mensen bedenken om te selecteren aan wie ze iets geven. Zelf heb ik vandaag al verschillende straatmuzikanten iets toegestopt. Op Monastiraki Square zit ik tussen de duiven en smullende Grieken te genieten van een jolige Albanese fanfare die zo aanstekelijk luid speelt dat mensen beginnen dansen. Tot meerdere pret van het publiek dartelt een grote zwarte hond over en weer voor de muzikanten terwijl hij enthousiast naar de zeepbellen hapt die een tengere, ernstig kijkende straatverkoper de lucht inblaast. Wat verder, aan het parlementsgebouw, bots ik op een nog grappiger gratis spektakel. De aflossing van de wacht is net bezig. Twee grote soldaten, schattig uitgedost in schoenen met grote pomponnen, witte kousbroeken met daarboven zwarte bandjes die op jaretellen lijken en korte witte rokjes -met 400 plooitjes, een voor elk jaar dat Griekenland door de Turken bezet werd- marcheren met houterige marionettenbewegingen die doen denken aan de beroemde ‘Silly Walk’-sketch van Monty Python. Een meisje van een jaar of drie stapt uit het publiek naar voor en probeert heel serieus om hen na te doen. Overal rond mij hoor ik onderdrukt gelach. De hemel zij dank voor honden en kinderen.
1 maart 2010