Eindelijk is het zo ver. De grote dag is aangebroken. De dag waarnaar zo velen in Amerika, in heel de wereld, reikhalzend naar uit hebben gekeken. Verkiezingsdag. Een mooie dag is het ook. Warmer dan de voorbije dagen, haast windstil. Alleen af en toe doet een briesje wat felgele bladeren door mijn tuin dwarrelen. De puinen van het afgebrand tuinhuisje zijn er intussen verdwenen. De eekhoorntjes zijn druk in de weer, ze leggen hun wintervoorraad aan. Hun pluimstaarten gaan nerveus op en neer. Aslan, mijn jong Turks straathondje, wordt er onrustig van. Om haar te kalmeren besluit ik haar mee te nemen naar de honderen in Silver Lake, een park dichtbij. Daar is het altijd goed ravotten.
In de buurt is het rustig. Het enige wat verraadt dat het verkiezingsdag is, zijn de vuilbakken die ongeleegd op de voetpaden staan. Zoals gewoonlijk vergaten de meeste van mijn buren dat de vuilnisophaaldienst op Election Day (altijd de eerste dinsdag van november) niet werkt. In veel tuinen is de Halloween-versiering nog niet weg gehaald. Misschien vinden de eigenaars dat de heksen, spoken en gigantische spinnewebben in het huidige griezelige economische klimaat toepasselijk blijven. Af en toe kom ik buren tegen die op weg zijn naar de stemlocalen of die al gestemd hebben. De laatsten vertellen dat alles vlot is verlopen, ze hebben maar een half uurtje in de rij moeten staan. ‘In Manhattan zijn de rijen voor sommige stemlocalen wel tien straatblokken lang’, zegt mijn overbuur Rob die bij de locale krant werkt. ‘Soms moeten de mensen meer dan vijf uur in de rij staan!’
Je moet er wat voor over hebben. “Zou jij zolang wachten?”, vraag ik hem.
“Natuurlijk”, zegt hij met overtuiging. “En langer als het moet. Ook al weet ik dat mijn stem geen verschil maakt, want hier in New York staat het vast dat Obama zal winnen en hoe groot zijn meerderheid is doet er eigenlijk niet toe; toch wil ik geteld worden.”
Ik vraag hem en de anderen voor wie ze stemden, hoewel ik het antwoord eigenlijk al weet. In mijn buurt ken ik niemand die er openlijk voor uitkomt dat hij McCain steunt. Al vermoedt ik dat mijn militaristische buurman Bob geen Obama-fan is, zelfs hij plant geen McCain-Palin-bordje in zijn voortuintje, uit schrik voor vandaisme misschien. Obama-Biden-bordjes kom ik wel af en toe tegen, half verscholen achter de Halloween-decoratie.
In de honderen is het druk. Terwijl Aslan en haar vriendjes rond ons het stof doen opwaaien en er af en toe een hond bescherming tussen mensenbenen komt zoeken, staan wij baasjes in het midden in een cirkel te praten, natuurlijk over de verkiezingen. Ook hier blijken het allemaal Obama-kiezers te zijn en niemand twijfelt eraan dat hij zal winnen.
“De laatste acht jaar waren toch waanzin!’, zegt Richard, “de mensen zijn het beu; ze willen dat het verandert.”
“Hopelijk zal de rest van de wereld ons nu anders gaan bekijken”, zegt Jen.
“Ik had nooit gedacht dat ik dit nog zou meemaken”, zegt Sally, een oudere zwarte vrouw wat ontroerd, “een zwarte president! Ik hoop alleen dat ze het hem niet afpakken door met de stemmen te knoeien”.
“Dan komen er er rellen”, zegt iemand en iedereen knikt.
“Ik kan niet wachten”, zegt Richard enthousiast, “ik voel me als een kind vlak voor kerstdag. Weet je wat het mooiste zal zijn? De opluchting dat de zwarte Bush-jaren voorbij zijn. De dag nadat Obama de eed aflegt, worden we wakker en lucht is blauw en de vogeltjes fluiten, de crisis is over, iedereen heeft werk en er breekt vrede uit in Irak en Afghanistan!”
Hij zegt het al lachend maar ergens lijkt hij het wel een beetje te menen. Ik deel zijn illusies niet. Al ben ik ook blij dat Bush en zijn kornuiten van het toneel verdwijnen, niets wijst er op dat Obama iets ten gronde zal veranderen, behalve de stijl. De Obama-jaren dreigen hard te worden: een periode van groeiende werkloosheid en economische onzekerheid staat voor de deur. Op de euforie zal ontnuchtering volgen. Toch knik ik instemmend als Sally zegt dat het hartverwarmend is om te zien hoe mensen van alle rassen en soorten samenkomen vanuit hun gemeenschappelijk verlangen naar een betere, meer menselijke wereld. “we zagen dat een beetje tijdens de strijd voor gelijke burgerrechten in de jaren 1960”, vertelt ze, “maar niet zoals vandaag!”
Wat het probleem is dat onze wereld naar de bliksem lijkt te helpen, dat weten Amerikanen niet beter dan anderen. Maar dat ze geloven dat er verandering moet komen en dat dit probleem niet veroorzaakt wordt door raciale of ethnische verschillen, hebben ze in deze verkiezingen wel getoond. Ik stel voor dat de Europeanen dat ook eens doen, voor ze weer eens hun neuzen ophalen voor de ‘racistische’ Amerikanen.
5 november 2008