Een getalenteerde Belgische jazz-muzikant die hier enkele jaren geleden kwam wonen, keerde na een tijd met hangende pootjes terug. Hij slaagde er niet in om genoeg te verdienen met zijn muziek. Er was nog wat. "Ik kan er slecht tegen dat niemand me hier kent", zei hij, "in Belgie is dat anders". Ik denk aan die vriend terwijl ik in Harlem wandel met het Brussels Jazz Orchestra (BJO). Onze gids is Paul Blair, een man met een encyclopedisch geheugen voor alles wat jazz betreft. "Hier maakte Louis Armstrong zijn New Yorks debuut", wijst hij, “daar woonde Billie Holiday! En in dat flatgebouw, Lionel Hampton en Dinah Washington! Daar was de oude Cotton Club. En hier was Jungle Alley"...We wandelen en wandelen: ik sta paf van de energie van de BJO-leden. Het is vrijdag. De 16 muzikanten kwamen maandag toe. Dinsdag hadden ze al een eerste optreden. Op zijn New Yorks moesten ze meteen twee sets spelen, om halfacht en om halftien, jetlag of niet. Ik zat in de zaal en was dus getuige: geen van de muzikanten heeft gegeeuwd. De adrenaline hield hen klaarwakker. Het BJO combineerde twee primeurs. Niet alleen was het hun eerste optreden in het prestigieuze Jazz Lincoln Center, ook brachten ze muziek die ze nog nooit eerder publiek hadden gespeeld. Een serieuze vuurdoop. De zaal alleen al, Dizzy's Club Coca Cola, is intimiderend. Achter het podium waarop muzikanten zich de ziel uit het lijf spelen is er een huizenhoge glazen muur waardoor het publiek zicht heeft op Central Park en het nerveus ballet van verkeer en voetgangers op en rond Columbus Circle. Verder wordt de aandacht afgeleid door kelners die zich ook tijdens de optredens tussen het publiek begeven met eten en drank. Zo discreet mogelijk maar toch. De befaamste New Yorkse jazz-clubs zijn echte geldmachines. In Dizzy’s betaal je 35 dollar inkom en moet je minstens voor 10 dollar consumeren. Het publiek zit er rond tafels en aan een lange bar. Ik zat aan tafel met de trotse vaders van twee van de Belgische muzikanten. Een van hen vreesde dat de muziek wat te cerebraal was. Ik ben geen jazz-kenner maar zoveel wist ik toch: wie klassiekers verwachtte was eraan voor zijn geld. Het BJO speelde composities van Kenny Werner, de avontuurlijke pianist van Toots Thielemans. Dat was de deal: Werner kreeg het gedaan dat het BJO een weeklang in Dizzy's mocht spelen en in ruil zou het orkest zijn muziek spelen met hemzelf aan de piano. Het publiek leek de muziek te apprecieren. Sommige composities deden me denken aan filmmuziek, andere leken collages van heel verschillende stijlen. Opnieuw: ik ben geen specialiste en wie weet heb ik er niets van begrepen. "If it sounds good it is good", is een vaak geciteerde uitspraak van Duke Ellington. Wel, de BJO-mannen, want in dit geval waren het allemaal mannen, klonken goed in mijn oren.
Kenny Werner's muziek spelen vergt grote concentratie, vertelden ze me. Hoed af. Op vrijdag- en zaterdagavond speelt het BJO telkens drie sets, de laatste om halftwaalf. Elke plaats in de zaal wordt drie keer verkocht en brengt dus per avond minstens 135 dollar op. Toch mag een jazz-muzikant in New York al blij zijn als hij met 60 tot 90 dollar per avond naar huis gaat. Het overaanbod van talent duwt de lonen omlaag. Dit weekend zijn er elke avond jazz-optredens in 30 bekende clubs en in tientallen kleine zaaltjes en café’s. Ook in die laatste zijn de muzikanten steengoed. Het BJO gaat niet rijk terug naar Belgie. Alleen al de rekening voor hun bescheiden hotel kost meer dan wat ze krijgen voor al hun New Yorkse optredens samen. Maar, zegt BJO-manager Koen Maes, "In Jazz Lincoln spelen is een unieke kans. Het geeft ons een internationale uitstraling die deuren kan openen die tot nu toe voor ons gesloten bleven”.
2 november 2010