Ontmoetingsplaats

Montreal charmeert deze New Yorker-op-vakantie maar Toronto roept. De Montrealers verwittigen mij: “Toronto is een typische, onpersoonlijke Amerikaanse grootstad geworden.” “De mensen zijn er onvriendelijk, er is veel misdaad”. “Montreal is een gezellig dorp in vergelijking met Toronto”. We slaan hun woorden in de zwoele wind en tuffen naar Canada’s grootste stad. 545 kilometer in een zinderende hitte, voor een Canadees is dat een afstandje van niks. We logeren aan de rand van de stad bij Nigel, een vriend van Tom. Hij is een Britse immigrant. Zijn vrouw Anu komt uit Indie. Hun dochtertje van vijf spreekt met het wat slepend accent van de streek. Hun zoontje leert zijn eerste woorden. Ze wonen in een tuinwijk in een huisje omringd door identieke huisjes. “Onze buren komen uit heel de wereld”, vertelt Nigel. Dat merken we als we de volgende ochtend de kleuters uitlaten in een speeltuin in de buurt. Rond ons in het gras en op de banken onder de bomen zitten tientallen volwassenen te praten. Ik hoor Arabisch, Chinees, Pools, Albanees en talen die ik niet herken. Na een kwartiertje staat iedereen recht en verdwijnt in het schooltje naast de speeltuin. “Dat zijn allemaal nieuwe immigranten die Engelse les volgen”, zegt Nigel. Zelf leert hij ook Engels aan immigranten, in een school twintig minuten van hier. “De overheid investeert behoorlijk wat in taalonderwijs voor immigranten”, vertelt hij. “In de laatste tien jaar kwamen er 200.000 tot 250.000 per jaar naar Canada. Een op zes Canadezen is immigrant. Alleen in Australie is de proportie van immigranten groter.” Later op de dag neemt Nigel ons mee op een wervelwind-tocht per auto door de buurten van Toronto. Het is zaterdag. Het downtown van de wolkenkrabbers waar Anu werkt in een bank, ligt er relatief rustig bij. Wat verder blinken glazen woontorens in de zon. Verschillende nieuwe zijn in aanbouw. Volgens Nigel zijn de flats hier superduur. Zelf zou ik ervoor bedanken. Je hebt er misschien wel een mooi uitzicht op het Ontario-meer maar ik zie niet eens een wandel- of fietspad langs de oevers. Geef mij dan maar Spadina Avenue en Kensington Market. Ik zie mezelf meteen al een tijdje wonen in een van de kleurige bohemien-achtige steegjes rond de markt waar eten, boeken, kleren en tweedehandsspullen worden verkocht in stalletjes en in rommelige winkeltjes. De naam ‘Toronto’ betekent ‘ontmoetingsplaats’ in de taal van de Huron-indianen Voor de eerste Europeanen hier arriveerden was dit al een plek waar verschillende Indiaanse stammen elkaar rendez-vous gaven om te praten en te ruilen. De stammen in en rond Kensington Market komen nu uit heel de wereld. Spadina en Kensington zijn wijken met een reputatie. Immigranten, anarchisten, communisten, punkers, antiglobalisten: al meer dan een eeuw lang doet een bonte verzameling van “buitenstaanders’ er zijn ding. “De stad heeft al vaak geprobeerd om Kensington Market te “saneren” maar de bewoners bijten altijd fel van zich af”, vertelt Nigel. We lopen langs een oude school die de stad tien jaar geleden wou slopen om een parking aan te leggen. Door het protest van de buurt ging het plan niet door. “Nu zijn er lofts in die school”, zegt Nigel, “maar voor mensen uit de buurt zijn ze onbetaalbaar.” De toekomst van de wijk is onzeker. De projectontwikkelaars zitten er likkebaardend op te loeren. Het verhaal van alle steden. Aan de rand van Kensington belanden we in een sociale woonwijk. Een dorpje van piepkleine rijhuisjes achter een omheining. Atkinson-Coop heet het. Er wonen 410 gezinnen. Het grote verschil met sociale woonwijken in New York is dat de armen hier van alle rassen zijn. Groezelige blanke kinderen rennen in hun onderbroekjes over de straat. Zwarte tieners staan in lange smetteloos-witte t-shirts te kletsen. Een Chinese vader is in zijn achtertuintje bezig terwijl zijn popjesachtig klein meisje in een plastiek zwembadje ploetert. Toen er enkele jaren geleden een stemming werd gehouden om van de wijk een cooperatief te maken, waren er stembrieven in 19 talen. Nergens zie ik ijzeren tralies voor de deuren of ramen. Dat is een teken dat de boel marcheert, ondanks alle verschillen. Of misschien juist erdoor. Iedereen is hier immers in de minderheid. In Toronto worden 140 talen gesproken.

Nergens anders in Canada wonen zoveel immigranten bij elkaar. Maar ze trekken naar overal. Zelfs naar het koude noorden. In Fort McMurray in Alberta geeft de gemeente een orienteringskursus voor immigranten uit tropische landen die er in de olieindustrie komen werken. “We houden van de winters hier”, is de titel. Ondanks die aantrekkelijke winter bedanken de meeste Canadezen ervoor om in min 55 graden Celsius te werken, zelfs voor hoge lonen. Vandaar de broodnodige tropische import. Voor de geimporteerden ligt de lat ook in Canada een stuk hoger. Een kwart van de nieuwe immigranten met een universitair diploma vindt geen werk op hun niveau. “Ondanks het open immigratiebeleid is er discriminatie”, zegt Nigel, “een nieuwe immigrant verdient gemiddeld maar 70 procent van wat een Canadees verdient. Er zijn nu meer gediplomeerden en er is dus meer concurrentie tussen hen. Wie een buitenlands diploma heeft staat een trapje lager.” Dat moet veranderen, vindt de Canadese minister van immigratie. Hij wil er in de komende vijf jaar 250 miljoen dollar tegen aan gooien om hooggeschoolde immigranten aan werk op hun niveau te helpen. “Anders zullen ze wegblijven”, waarschuwt hij, “en Canada heeft hen nodig.”

28 juli 2005