De plafondventilator in onze kelderkamer in Hotel du Nouveau Forum ploegt de hete vochtige lucht om. De termometer staat op 34 graden. We zijn in Canada maar voelen ons in de tropen. Of op zijn minst in zuid-Frankrijk. Ons hotelletje met zijn boogramen, zolderkamertjes en gevel van ruwe natuursteen zou zo in een Frans dorp kunnen staan. Het ligt in de rue St. Antoine, tussen de rue St. Jacques en de rue de la Gauchetiere. We zijn in een stripverhaal-achtige buurt beland. Het Montreal van de wolkenkrabbers houdt letterlijk op aan de overkant van ons hotel. Achter ons ligt een uitgestrekt braakland. Maar goed dat de projectontwikkelaars het handvol bescheiden 19de eeuwse gebouwen waar ons hotel tussen staat gespaard hebben. Zo kunnen we ons een beetje voorstellen hoe dit deel van Montreal er uitzag voor de stad, aangepord door de wereldtentoonstelling van 1967 en later de Olympische spelen van 1976, zichzelf in een moderne metropool transformeerde. De eerste wolkenkrabber werd in de vorm van een kruis gebouwd en naar de maagd Maria genoemd. Kwestie van hemelse bescherming af te smeken, niet alleen voor de hoogbouw maar ook voor het koopcentrum dat eronder werd aangelegd. Dat was het begin van een stad onder de stad, de “Underground City” die intussen is uitgegroeid tot een web van 33 kilometer dat metro-stations en meer dan 1700 winkels en bedrijven, veertig theaters en bioscopen en andere attracties met elkaar verbindt. “Het idee is dat je zelfs in het putje van de winter in je zomerkleren van je flatgebouw naar je werk of ontspanning kunt wandelen zonder buiten te komen”, legt onze vriend Richard uit. Zelf maakt hij er nooit gebruik van. Hij woont op een twintigtal minuten fietsen van het centrum in een flat die ooit een klaslokaal was in een honderdjarig schoolgebouw. We zitten in zijn woonkamer waar nog een ondefinieerbare schoolgeur hangt die zoals het Madeleine-koekje van Proust duizenden herinneringen wakker maakt, als de telefoon rinkelt. Het is Frank, zijn buurman, een MS-patient. “Hij is gevallen in zijn badkamer”, zegt Richard, “willen jullie mij even helpen om hem in zijn rolstoel te zetten?” Frank, een jonge, knappe gast, ligt in een ander voormalig klaslokaal hulpeloos naast de wc-pot, zijn broek nog afgestroopt tot op zijn knieen. Gelukkig heeft hij zich niet bezeerd. “Hij is de laatste weken wel vaker gevallen”, vertelt Richard als we later door de lange schoolgang terug naar zijn flat gaan, “we waren er telkens heel snel bij. Dat is een van de vele voordelen van kollektief wonen.” Het kollektief -Richard, Frank en dertien anderen- huurt de voormalige school goedkoop van de stad. Er zijn veel van dit soort kooperatieven in Montreal. Ze maken hun eigen regels. “Bij ons betaal je naar gelang je inkomen”, legt Richard uit, “omdat ik momenteel werkloos ben, betaal ik 75 dollar huur per maand.” In New York moet je heel hard zoeken om nog iets te vinden voor 750 dollar. Richard woont ontzettend graag in Montreal, ondanks de harde winters. Als ik ‘s avonds door zijn buurt wandel, begrijp ik waarom. Overal zitten mensen rustig op de terrasjes van hun flatjes te babbelen. Ze wonen twee of drie hoog in poppekastachtige huizen met draaitrappen aan de voorgevel die naar de diverse voordeuren leiden. De voortuintjes varieren van keurig naar prettig verwilderd. De straten zijn volop met bomen beplant. In Richards straat alleen al liggen er drie parken praktisch naast elkaar. In een ervan is een openlucht-zwembad waar het om halfacht ‘s avonds nog wemelt van het volk. Vlak ernaast zijn mensen onkruid aan het wieden in een grote volkstuin vol groenten en bloemen. Net als in de andere buurten waar ik kwam, wordt er veel gefietst. Het lijkt een beetje een luilekkerland maar schijn bedriegt natuurlijk. “Ik heb vrienden die hier les geven”, zegt Richard, wijzend naar een schooltje verscholen achter hoge bomen, “ze vermijden het om toetsen te geven in de laatste week van de maand omdat veel leerlingen zich dan niet kunnen concentreren van de honger. Hun ouders leven van de bijstand en de uitkering is meestal op voor het einde van de maand.”
Montreal kruipt onder mijn vel. Ik dwaal door de stad per fiets. ‘s Ochtends vroeg rij ik door “Le Vieux Montreal”, de toeristische trekpleister. De enige levende zielen zijn werkmannen die de terrasjes schoonmaken. In een steegje wat verder staat een lange rij daklozen aan te schuiven voor een ontbijt. Het valt mij als NewYorker op dat ze bijna allemaal blank zijn. “s Avonds rij ik door de achtersteegjes van het Quartier Latin, een volkse uitgaansbuurt. Magere junkies gaan er ongestoord hun gang met hun pijpjes en spuiten. Een politiewagen rijdt langzaam voorbij zonder te stoppen. Lang zal dit niet meer duren. De steegjes zijn nog onbewoond maar overal worden nieuwe flatgebouwen opgetrokken. Er heerst een ongelooflijke bouwwoede in de stad. Langs het fietspad van Canal Lachine, ooit de grootste graanhaven ter wereld, wonen en werken al duizenden mensen in omgebouwde oude fabrieken en magazijnen. Mijn vijf dagen in Montreal zijn me veel te kort. “Hier wil ik wel een tijdje wonen”, zeg ik tegen Richard. “Goed”, zegt hij, “laat ons een maand van huis ruilen.” Hij zegt dat natuurlijk in Quebecois. Ik beeld me in dat ik na een tijdje weg zou zijn met dat grappig taaltje. Volgens Richards vriend Jean is dat makkelijker voor Belgen dan voor Fransen. “In Parijs begrepen ze me niet”, zegt hij, “maar in Brussel had ik geen problemen.”
21 juli 2005