De eerste keer dat ik hem ontmoette was in de late lente van 1983. We reden zijn oprit op in Vancouver. Onze hond was de eerste die uit de auto sprong en hij deed meteen wat honden doen na een lange rit. “Oit majn blome potverdome!” bulderde een mannestem. Het was de perfecte introductie tot “nonkel Xav van Canada” waar ik al zoveel verhalen had over gehoord. Hij leek helemaal op de kwajongensachtige man die ik op foto’s had gezien. Een wilde haarbos, volle wenkbrauwen en daaronder onverschrokken kijkende ogen. Knap ook, net als zijn zussen en broers waaronder de vader van mijn reis- en levensgezel. Hij was nummer zes van een wild nest van vijftien uit de Gentse hoogstraat. Nonkel Xav en zijn eveneens Vlaamse vrouw tante Maria ontvingen ons hartelijk. Ik herinner me de rondleiding die hij trots gaf van het huis dat hij met de hulp van zijn zonen zelf gebouwd had. Je moest er goed opletten voor onverwachte dorpeltjes en er waren deuren die naar kamers leidden met daarin nog een deur waarachter weer een kamer lag. Al die ruimte was nodig want Xav en Maria hadden elf kinderen. Zeven daarvan waren in Belgie geboren, vier in Canada. Maar ik loop vooruit op mijn verhaal. Een week geleden kregen we bericht dat nonkel Xav, intussen 84, was overleden. Omdat niemand uit het verre Belgie kon komen, besloten Tom en ik om de niet-Canadese branche van de familie te vertegenwoordigen op zijn begrafenis. We arriveerden om 2 uur in de namiddag. De dienst was om 4 uur. “Er komen mensen van ver en zo hebben ze genoeg tijd om hier te geraken”, legde Luc, de oudste zoon van nonkel Xav uit. De dienst was ‘non-denominational’ zoals ze dat in de VS en in Canada zeggen. Zo eist niemand de overledene op voor zijn eigen religieuze of niet-religieuze winkel. Na een begrafenis zeggen mensen gemakkelijk “het was een mooie dienst” maar dit keer was het waar. Verschillende kinderen van nonkel Xav zegden een woordje over hun vader-immigrant. Ze schilderden een man die uitbundig, enthousiast, luidruchtig was, optimistisch, koppig, hard-werkend, lastig, overmoedig, onbesuisd, roekeloos, vindingrijk, slim, grappig, liefdevol en gul…een man die intens had geleefd. Buiten wisselde de zon en de regen elkaar af op zijn Belgisch. Zoals het hoort op zo’n afscheid weenden en lachten de mensen ongegeneerd. Nonkel Xav, zo wist zelfs ik, was een bijzondere man. Ik zat met trots naar onze Canadese familie-tak te kijken. Met kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen, aangetrouwden en lieven, zijn ze al met meer dan zeventig. Mooi-ogend Vlaams volk dat zich intussen gemengd heeft met Filippijns en Chinees bloed. Een kleinkind trouwt binnenkort met een Koreaanse, een ander heeft een zwart lief en nog een ander een met indiaans bloed. Een echte Canadese familie dus. “Toen we in 1956 naar Canada emigreerden, woonden er 11 miljoen mensen”, zegt Luc, “nu zijn we met 33 miljoen. Elk jaar komt er een kwart miljoen immigranten bij”. Het is de avond van de begrafenis. We zitten met een hele bende in het ouderlijk huis waar Luc met zijn gezin woont sedert zijn ouders naar een flat in dowtown-Vancouver verhuisden. De wijn smeert de tongen. De kinderen vertellen de ene straffe anecdote na de andere over ‘vader’, zoals ze hem na al die Canadese jaren nog noemen. Het doet me denken aan de avond na de begrafenis van mijn eigen vader. We lachten toen ook tranen. Mijn vader was net als nonkel Xav een kleurig figuur, een koppige overlever. Ik denk wel eens dat hij ook een geknipte immigrant zou geweest zijn en met veel kabaal en zonder geld iets uit de grond zou gestampt hebben, zoals nonkel Xav dat deed. Met zeven kinderen en een acht maanden-zwangere vrouw verhuisde die in het holst van de winter naar een houten huis op de prairie om er vol optimisme te beginnen boeren, ook al had hij dat nog nooit gedaan. Op een dag vond hij op een vuilnisbelt bevroren deeg uit een uitgebrande pastafabriek en hij gaf het aan zijn uitgehongerde schapen. De gist in de deeg deed de ingewanden van de dieren zo erg zwellen dat ze krepeerden. “Een buur zei later dat hij de dieren had kunnen redden door ze met een nagel in hun buik te slaan”, vertelt een van de zonen. “Er waren minstens 15 schapen dood. We moesten er wekenlang van eten. Tot vandaag kan ik geen schapevlees ruiken of zien.” Met zijn koeien had nonkel evenmin geluk. Ook daarvan stierven er verschillende nadat hij ze bevroren bieten had gevoederd. Het vroor min veertig graden op de prairie. Al die kinderen eten geven was een constante uitdaging. Op een dag hoorde nonkel Xav dat er een beer in de omtrek was. Hij legde zich op de loer. Drie dagen later zag hij het dier en schoot het dood. “We hebben toen weken berevlees gegeten”, zegt een van de zonen, “het smaakte afschuwelijk”. Ze vertellen uren aan een stuk. Ze zijn de tel kwijt geraakt hoe vaak ze verhuisd zijn. Hun leven verbeterde jaar na jaar. Niet in geringe mate dank zij tante Maria die door verschillende van haar kinderen als “een heilige” wordt bestempeld. De familie schoot uiteindelijk wortel in Vancouver, een stad tussen de zee, de bergen en de VS, met zomers om van te snoepen en weer dat voor de rest van het jaar uit Belgie lijkt geimporteerd. Heel de familie is in of dicht bij de stad blijven wonen. In Canada is ‘dicht bij’ iets anders dan in Belgie. Op een paar uren verplaatsing kijkt men niet. De dag na de begrafenis is heel de clan, ook tante Maria, weer samen. Dit keer voor een feest dat al maanden geleden was gepland. Natuurlijk hebben ze het niet afgelast. Dat is het laatste wat nonkel Xav zou gewild hebben.
3 oktober 2007