ZOMBIESTRAAT

Een rit met de Sky-train is een leuke manier om een stuk van Vancouver te zien. Ik stap uit aan de laatste halte, een mooi gerestaureerd stationsgebouw. Het is zondagnamiddag. Het stationsrestaurant is dicht. Buiten doet de motregen de glazen kantoorgebouwen nog killer lijken. De straten zijn grotendeels verlaten. Ik sla links af naar Gastown, het oudste (honderd jaar) stukje Vancouver, met winkeltjes en restaurants die hun best doen om pittoresk te ogen. Er lopen wat natte toeristen en daklozen rond. Gastown is klein. Ik hoef niet ver te wandelen om geen toeristen meer tegen te komen. Ik kom aan een driehoekig pleintje waar mensen schuilen onder slordig opgehangen zeiltjes. Sommigen lijken te slapen. Anderen roken kleine (crack)pijpjes. Enkelen zijn in de weer met injectienaalden. Het is intussen harder beginnen regenen. De tientallen junkies die niet onder de zeilen zitten, lijken het niet te voelen. Ze hebben ingevallen wangen en een vaalgrauwe lijkkleur. Ik wandel door de miserabele kudde. Mannen en vrouwen, bevend, in slow motion door de knieen zakkend, zenuwachtig ijsberend. Sommige liggen onbeweeglijk op de grond en op banken in de nu gutsende regen. Ze zijn van alle rassen maar er is slechts een zwarte bij. Velen lijken oud –ouder wellicht dan ze zijn- maar er zijn ook tieners bij. Niemand kijkt naar mij of vraagt me wat. Rechts in een steegje klimt een meisje in een vuilniscontainer. Een man zit met afgestroopte broek gehurkt in een hoekje. Naast hem maakt de regen soep van een hoop kots. Ik sla de brede straat links in. East Hastings. De voetpaden, portieken en steegjes tussen de gebouwen zijn bevolkt door dezelfde schichtige, magere, de regen negerende zombies als op het pleintje. Hier en daar rijden en staan gehelmde mannen met vouwfietsjes. Zo te zien zijn dat de drugkoeriers. Een van hen slaat af in een met onkruid begroeid steegje. Als hij langs een groepje bleke meisjes rijdt die gehurkt tegen een gevel zitten, gooit hij wat kleingeld naar hen. Ze gooien zich op de muntjes als uitgehongerde kippen op mais. Achter hen, onder een met klimplanten overwoekerde brandtrap, gaat het deksel van een vuilniscontainer open. Een man en een vrouw klimmen er uit. Er staan veel statige gebouwen in East Hastings die getuigen van een welvarend verleden. In wat ooit de lobby van een elegant hotel was, zitten oudjes in rolstoelen door het raam te staren. Een bordje op de gevel zegt dat het gebouw geklasseerd is en voor sociale huisvesting wordt gebruikt. Hier en daar is een zeldzame middenstander in de weer in een neon-verlicht winkeltje of restaurantje met decors uit de jaren vijftig die in New York veel geld zouden opbrengen. Aan de deur van een stoffenwinkeltje vraagt een bordje: “Goede en beste vrienden: wilt u aub het glas van onze etalages en deur niet beschadigen. Dank u”. “NO GUNS”, staat er op de afgeschilfderde deur van een mini-kerk die ooit een kruidenierswinkel was. Er stopt een duur ogende wagen waar twee Chinese mannen uitstappen. Een van hen opent de koffer. “Free bread!” roepen ze. Er zijn wel liefhebbers maar een stampede is het niet. Een Chinees brengt enkele broodjes naar een graatmagere man met lang grijs haar en een lange baard. Hij zit in een rolstoel zonder rugleuning die met stukjes touw en ijzerdraad wordt samengehouden. Aan de volgende straathoek staat een politiewagen. Een agent telefoneert, een andere houdt een geboeide indiaan vast. De arrestant steekt anderhalve kop boven de agent uit. Zijn ogen schieten vlammen maar hij zegt niets. Wat verder lopen dompelaars in en uit het mooiste gebouw dat ik vandaag zag. De Carnegie-bibliotheek. De schatrijke Carnegie liet meer dan 2.500 bibliotheken bouwen in Noord-Amerika. De bewaker groet me met een geamuseerde blik. Het gebouw is geklasseerd, onder meer voor zijn glasramen en mooie wenteltrap. Carnegie zou raar kijken mocht hij binnenwandelen. Zijn opulent gebouw is nu een dag-opvangcentrum voor daklozen. Het ruikt er naar ongewassen kleren. Ruim 150 daklozen, vooral mannen, kaarten, praten, staren, lezen. Slapen mag niet. In een zaal is er zowaar nog een bibliotheekje. Maar er hangt een briefje aan de deur: “Gesloten wegens staking van het stadspersoneel”. Op de muur ernaast hangen foto’s en briefjes van mensen die op zoek zijn naar iemand. Onder de foto van een lachend donkerharig meisje lees ik: “Dana! Ik zoek je. Ik heb alles geprobeerd om je te vinden. Ik ga verhuizen. Hier is mijn nieuw telefoonnummer. Bel me aub! Je mama”. Er zwaait een deur open. Ik hoor tango-muziek en zie een zaal met spiegels en gedempt licht die ruikt naar vergane glorie. Vijf Aziatische paren glijden over de houten vloer. Ik ga zitten en geniet van hun genot. Ik blader in enkele kranten die ik uit de grote zaal meenam. In ‘the Dominion’ lees ik dat East Hastings de hoofdstraat is van downtown Eastside, de armste buurt van Canada, met het hoogst aantal seropositieven (30 procent) van noord-Amerika. Er wonen 5000 spuiters en er zwerven 2000 daklozen rond. Dertig procent van de bevolking is indiaans. In ‘the Province’ lees ik een aanklacht van politie-agent Mark Tonner tegen Vancouvers pseudo-tolerant drugsbeleid. Er wordt te weinig geld vrijgemaakt voor preventie en ontwenning, vindt Tonner, East Hastings is een menselijke vuilbak.

Ik ben nog maar pas East Hastings uitgewandeld of ik passeer langs een nieuw flatgebouw, de Shangri-La, waar de goedkoopste flat 4,6 miljoen dollar kost en de duurste 15,6. Wat verder sipt het schoon volk van zijn afternoon-tea in het Fairmont Hotel. Het Brits koningspaar sliep hier, zo staat er trots op een muur. Zelf gebruik ik er enkel het toilet. Nadat ik mijn handen heb gewassen, reikt een Aziatische dame in een zwarte jurk en wit schortje me een sneeuwwit handdoekje aan.

10 oktober 2007