Vier avonden na elkaar nu al dwaal ik door de steegjes van het uitgestorven lijkend stadje. “Je kunt om drie uur ’s nachts als vrouw gerust alleen rondlopen zonder bang te zijn”, had een inwoonster me de eerste avond gezegd, “het is hier nog altijd de late middeleeuwen. Er gebeurt nooit wat.” Eerlijk gezegd twijfel ik er aan of ik me in de middeleeuwen alleen door het toen vast pikdonkere Balstraatje zou hebben gewaagd. In het nu verlichte, perfect stille steegje zet iemand een deur op een kier. Een dikke rosse kater glipt naar buiten. Dag poes, groet ik hem in het voorbijwandelen. Een ogenblik later voel ik de klauwen van het valse monster in mijn linkerkuit. Ik gil. Godverdomme. In New York ben ik nog nooit overvallen maar in Brugge word ik aangerand door een kater. Een beetje op mijn hoede sta ik enkele minuten later op het verlaten Kantwerkstersplein de Jeruzalemkerk te bewonderen. Met de grote koperen bol op de bruingeschilderde houten toren en de gaanderij eronder is het een van de meest exotische gebouwen van Brugge. Ik kan me de kerk zo voorstellen ergens tussen kronkelende straatjes in Istanboel. Gisteravond liep ik door de dwarrelende herfstblaren door de verlaten binnentuin achter het Groeninghe-museum. De avond daarvoor telde ik de namen van Brugse doden op het oorlogsgedenkteken op de muur van de in 1927 herbouwde kerk in de Karthuizerbinnenstraat. Onder 1914-1918 stonden de namen van 500 officieren, onderofficieren en soldaten en 13 “doodgeschotenen”. Onder 1940-1945 stonden 54 namen van militairen, 8 terechtgestelden, 35 politieke gevangenen, 4 gedeporteerden en 80 burgerslachtoffers. Enkele meters verder stond op een stenen plaatje gebeiteld: “Hier in deze crypte berust er asse van politieke gevangenen uit het concentratiekamp Dachau. Gedenkt ons.” Vanavond kom ik aan de buitenmuur van het Engels klooster nog een herinnering aan een dode tegen. “En ‘k hoorde de veugeltjes zoo geerne schufelen” staat er. Dat zou “de laatste verzuchting” geweest zijn van Guido Gezelle die hier stierf op 27 november 1899. Zelfs mocht het een puur verzinsel zijn van de overlevenden dan blijft het toch stief skoane. Later in mijn kamer aan een van de reien lig ik naar de stilte te luisteren. Mijn laatste avond in Brugge. De drie volgende nachten logeer ik op drie verschillende plaatsen op het Vlaamse platteland. Geen enkele keer is het er zo stil als in Brugge. Op zondagochtend sta ik verbazend uitgerust en ontspannen met een veel te zware valies terug in Zaventem. Al bij al is Belgie goed geweest voor mij. Mijn hoofddoel was om mijn moeder terug te zien. Ze herkende me lang niet elke dag maar ik heb geleerd om niet te treuren over zo’n detail. Ik zag enkele vrienden terug. Ik verwonderde me er over hoeveel blaren er nog aan de Vlaamse bomen hingen en hoe mild het weer was. Ik kwam mensen tegen die euforisch deden over het stemmenverlies van het Vlaams Belang. Ik kwam een Gentenaar tegen die me aanraadde om in Amerika te blijven want bij een van mijn volgende bezoeken aan Belgie riskeerde ik verplicht te worden om een hoofddoek te dragen. Een jonge Oostvlaamse boerin en moeder van drie kindjes vertelde me dat ze in december naar Amerika reist om een stuk grond te zoeken om een boerderij te beginnen. “De groenen, madame, maken hier alles kapot”, zei ze, “we hebben in Belgie geen toekomst meer”. Een student in St-Niklaas zag Belgie ook niet meer zitten. “De vremden krijgen hier alles voor niets en de Belgen moeten voor alles betalen. Voor we het weten is er een zwarten burgemeester van St-Niklaas. Mij niet gezien. Als ik afgestudeerd ben, ga ik werk zoeken in Florida.” Ik wees er hem op dat hij dan zelf ook ‘een vremde’ zal zijn. “Voor een Belg is dat anders hé”, antwoordde hij bloedserieus, “die wil werken”. Zondagochtend dus en de regen klabettert tegen het glas van de vertrekhal. Nog een uurtje en mijn vliegtuig naar New York vertrekt. Gelukkig ben ik slechts twee uren op voorhand naar de luchthaven gekomen. Geen mens die me daarvoor op de vingers tikt. In een-twee-drie ben ik ingecheckt en door de paspoortcontrole. Net als ik mijn mijn eerste Engelse krant van de week wil kopen gaat mijn gsm. Het is mijn oudste broer. Onze moeder is er plots heel slecht aan toe. “De dokter staat naast mij”, zegt mijn broer, “hij wil met je spreken.” Vijf minuten later is de beslissing gevallen. Ik blijf in Belgie. Ik heb al meer dan eens gesakkerd op Delta Airlines maar dit keer kan ik niet anders dan ze een bloemetje toegooien. Op een wip en zucht is het geregeld dat ik mijn vlucht mag uitstellen. En mijn zware valies? No problem, zegt een Delta-jongen. Met een enkel telefoontje zorgt hij ervoor dat het ding vol chocolade, boeken en jenever uit de buik van het vliegtuig wordt gehaald. Uit zijn gesprek maak ik op dat er zich nog twee andere passagiers op het laatste moment hebben bedacht. Op weg naar de kliniek maakt de gietende regen plaats voor een stralende Westvlaamse zon. In de hal van de geriatrische afdeling hangt een bordje waarop “November, slachtmaand” staat, met daaronder foto’s van herfstblaren, kastanjes, oudstrijders en oorlogsgraven bedolven onder chrysanten. In de kamer van mijn bleke doodzieke moeder staat het raam op een kier. Ze zegt niets. In de hospitaaltuin fluiten de vogels alsof hun leven er van afhangt.
22 november 2006