“Zou je dat wel alleen doen?” vraagt mijn broer. “De Kleitkalseide is een heel lange straat, met veel huizen.” Zijn bezorgde blik doet me in een lach schieten. Ik ben een New Yorker, ik heb Broadway afgewandeld. Dat is zeven uur, als je goed doorstapt. Voor mij is geen enkele straat in Belgie lang. “Bel me als er iets is”, roept mijn broer me nog na. “Kijk liever naar dat prachtig gouden zonlicht”, roep ik terug zonder om te kijken. Er staat een forse wind. Ik klem mijn handen stevig rond mijn fietsstuur. Mijn eerste halte aan het begin van de Kleitkalseide, de hoofdstraat van Kleit, is een boerderij, piepklein naar Amerikaanse normen. Er komt een wit blaffend hondje van het erf gestormd. Aan de brievenbus naast het ijzeren hekken staren we naar elkaar in een wolk van stof en opdwarrelende blaren . Een man in overall komt uit een zijdeur van het woonhuis. “Allez, allez Florreke”, roept hij, “koest”. Hij wandelt naar me toe terwijl hij me onderzoekend aankijkt. “Zijde gij niet de oudste van Marcel?” vraagt hij. Dat klopt. “Innige deelneming”, zegt hij. Ik bedank hem. “Hier”, zeg ik terwijl ik hem een dichtgevouwen overlijdensbericht aanreik dat ik uit mijn tas heb gevist. We praten nog wat. Hij vertelt over zijn boerderij die al verschillende keren onder water heeft gestaan sinds de aanleg van de E34 dwars door zijn land. Ik rakel zijn brein op zoek naar herinneringen aan mijn moeder die als kind op de dool na de oorlog een tijd bij hem inwoonde. “Tot donderdag op de begrafenis”, zegt hij als we afscheid nemen. Ik heb tien minuten met hem staan praten. Als ik de overlijdensberichten van mijn moeder aan dit tempo blijf verdelen zal ik een dag en een nacht bezig zijn. Om van boer Roger naar het volgende huis te geraken moet ik een klein stukje heuvelopwaarts. De tegenwind is zo hevig dat ik recht moet staan op mijn pedalen. Krak. De ketting van de oude fiets van mijn vader is gebroken. Ik lig net niet op de grond. Dju. “Zie je wel”, zegt mijn broer als hij me te voet ziet afkomen. “Geef mij een andere fiets”, zeg ik. “Je bent gek”, zegt hij. “Ik ben een New Yorker”, antwoord ik. “Dat is hetzelfde”, zegt mijn broer. Ik spurt terug naar de Kleitkalseide terwijl de gulle zonsondergang oud goud rondstrooit. Paarse wolken. Ik fiets, ik stop, ik glijd een overlijdensbericht in een brievenbus, enzovoort. In totaal moet ik 180 brievenbussen aandoen. De post of begrafenisondernemer hadden de karwei ook kunnen klaren. “Ik wil het zelf doen”, had ik aan mijn broers en zus uitgelegd, “ik zie het als een definitief afscheid van mijn leven hier.” Kleit (spreek uit: “Klait”) heeft hoop en al 2500 inwoners. Ze hebben de reputatie koppig te zijn. Volgens mijn grootmoeder zaten de zigeuners die vroeger in de bossen rond het dorpje kampeerden daar voor iets tussen. Achterdochtig zijn ze ook. Drie keren op mijn tocht zie ik vrouwen door hun raam naar me staren en zich schichtig achter het gordijn verstoppen als ze merken dat ik hen in de gaten heb. Ik geef hen een ‘ik heb u wel gezien hoor!’-zwaai. Tegen de tijd dat ik in de dorpskom ben, is het donker. Ik stop even om een grimmige nieuwbouw te bekijken die twee verdiepingen boven zijn buren uitsteekt. Alleen de kerktoren is hoger op de Kleitkalseide. Vorig jaar stond het simpele huis van mijn ouders nog op deze plek. Mijn overleden vader zou een resem godverdommes leggen als hij zou zien wat er in de plaats kwam. Ik kijk even rond naar de huizen van de buren van toen ik kind was. Martha, Marie, Godelieve, Zientje, Agnes, Anais, Fons, Elza, Rita, Madeleine en Bertha en haar papegaai die “Dag Sybille” zei als hij mijn moeder zag. Ze waren nog van die echte buren die mekaar hielpen als de nood hoog was, wat in ons gezin permanent het geval leek te zijn. Het is intussen vijf uur. De klokken beieren. De zaterdagavondmis begint. Mijn moeder is pas gisteren overleden maar in het kerkportaal hangt al een mooi getypt bericht. Ik gluur even binnen. De kerk zit zo goed als vol. Kleitenaars hebben ook de reputatie van godsvruchtig te zijn. Achter de kerk ligt een bekende Maria-grot, de grootste van het Meetjesland beweren ze in Kleit. Jezus, wat een wind. Beter om van brievenbus naar brievenbus te stappen. Ik stop zelfs een overlijdensbericht in de gleuf van de poort van mijn oud kleuterschooltje. Geen idee waarom ik dat doe. Bij slager De Flou is het rolluik nog open. Er wordt al lang geen vlees meer verkocht maar het lege winkelinterieurtje is nog steeds intact en kraaknet. Een vrouw leunt onder het neonlicht met haar ellebogen op het marmeren toogje terwijl ze treurig naar buiten staart. Wat verder, net buiten de dorpskom, kan ik gelukkig even lachen. Waar vroeger een veld was, staat nu een immense villa met strooien daken, nissen en glasramen en binnen aan de muren verlichte schilderijen van jachttaferelen. Het lijkt iets waarin Hansje en Grietje zouden kunnen wonen als ze reuzen zouden zijn. Nog tien brievenbussen en een kant van de Kleitkalseide zit er op. Ik heb nu nog heel de andere kant van het begin tot het einde voor de boeg. Gelukkig heb ik de wind in de rug. Mijn broer heeft gelijk. De Kleitkalseide is inderdaad heel lang, zeker op een avond als deze. Zelfs voor iemand die zo koppig is als een Kleitenaar en zo arrogant als een New Yorker.
3 december 2006