Uit "De Beste Straat ter wereld", Uitgeverij Van Halewyck, 1998.
Ik schrijf dit aan een bureau met uitzicht op een roodgroene beukenhaag, een veld met jonge tarwe, vlakke weiden met slierten mist, herkauwende koeien en bolle schapen. In de verte staat een spitse kerktoren. Het is middag. Af en toe rammelt een moeder met potten en pannen in de keuken onder mij. Ze is brandnetelsoep aan het maken.
U hebt het al geraden hebben: ik ben in Belgie -voor even toch. Bijna elk jaar vlieg ik de plas over om mezelf eraan te herinneren wat ik heb achtergelaten sinds ik in 1980 mijn bruggen verbrandde. En elk jaar komt dit land me iets exotischer voor.
Het begint al met de Belgische stewardessen. Geblondeerd, gezonnebankt en met een glimlach die spontaner lijkt dan die van hun Amerikaanse collega’s, lopen ze af en aan door het vliegtuig. Ik zit geprangd tussen een Chinese dame die geen woord Engels spreekt en een van top tot teen in het zwart gekleed, blase en lichtjes vermoeid Soho-typetje. “Chicken or beef?” vraagt de Sabena-juffrouw.
Mijn Chinese buurvrouw reageert niet. Ze krijgt dan maar kip, dat eeuwig arm, neutraal beest, voorgezet.
“How is the chicken?” vraagt Soho een beetje vanuit de hoogte. Sabena duwt de ellebogen tegen haar lijf, fladdert even met ingebeelde vleugels en kakelt vragend: “Tok-tok-tok-tok-teuuuk?” Soho kan er niet mee lachen. Met gefronste wenkbrauwen en elk woord nadrukkelijk articulerend zegt hij: “I mean, how is the chicken prepared?”
Van slapen komt niet veel in huis: ik word wakker gehouden door het Leuvens, Antwerps, Westvlaams en Gents van een opgewonden reisgezelschap. Mijn oren, zo gewoon aan Spaanse, Italiaanse, Joodse en zwart- Engelse accenten, hebben moeite om zich af te stellen op deze Babelse poespas van Vlaamse dialecten. Ik probeer in mijn eigen streektaal te denken. Straks zal ik ze spreken met mijn ouders en de rest van mijn familie, mijn jaarlijkse heropfrissingscursus. Mijn tong en mond weten de eerste uren gewoonlijk niet wat hen overkomt. Niet alleen is mijn dialect niet van de mooiste, ik word ook uitgelachen door de autochtonen -de jonge toch- omdat ik naar het schijnt zo plat spreek. “Bompa-dialect”, zo omschreef een tienerdochter van een dorpsvriendin mijn taaltje.
Landen in Belgie is elk jaar hetzelfde: de lucht is grijs, ik ben veel te licht gekleed en de douaniers hebben niet de minste belangstelling voor mijn persoon of bagage. De eerste jaren herkende ik het landschap langs de autoweg nog. De laatste jaren kijk ik er met steeds grotere bevreemding tegen aan: rode bakstenen huizen -groot en klein- waartegen een hok leunt, daartegen staat nog een hokje, gevolgd door nog een kleiner hokje. Vaak in de meest uiteenlopende bouwmaterialen. Paarden en koeien in kleine weiden, voorschoot-grote velden in de raarste vormen, afsluitingen waar ik ook kijk, wuivende populieren en diepgroen gras. Dan stoppen we aan een benzinestation want door van mijn dagelijkse buitensporige waterconsumptie moet ik weer eens naar de plaats waar een van de meest exotische fenomenen van de Belgische maatschappij me met uitgestrekte hand opwacht: de WC-madam.
Ik ben hier nu ruim twee weken en ik blijf mijn ogen uitkijken. Op mijn ochtendwandelingen door de velden, soms in het gezelschap van een geleende hond, zie en hoor ik veel meer vogels dan vijftien jaar geleden: Vlaamse gaaien, fazanten, patrijzen, spreeuwen, spechten, lijsters, kwikstaarten, watersnippen, kieviten, sperwers, bos- en tortelduiven, wilde eenden, meesjes, eksters, merels, zwaluwen, waterhoentjes, vinken, roodborstjes, koninkjes, tjiftjafs, mussen en koekoeken. Het wemelt hier van de konijnen. Gisteren zag ik een haas en vanmorgen een welgevormde muskusrat en twee kikkers. Zoveel leven en toch is de stank van varkensstallen nu veel indringender dan vijftien jaar geleden.
Dan zijn er al die dingen die ik al ken sinds mijn kleuterjaren, maar die in mijn onvermijdelijk Newyorks wordende ogen elk jaar vreemder lijken. Zoals de boer met de pet en de blauwe kiel, de riek over de schouder en een knoestige hand op het stuur van zijn met slijk besmeurde fiets. Of de horden goedbevleesde dames op de wekelijkse markt die er, met hun kortgeknipte grijze kapsels en hun grijze of beige regenjassen, zo degelijk en uniform uitzien. Ik blijf me vergapen aan de koppen van sommige Vlamingen, jong en oud, die zo weggeplukt lijken uit een schilderij van Memlinc of Van Eyck. Tom en ik stoten elkaar soms aan en wijzen discreet: kijk, daar is er weer een. Kriskras door Vlaanderen rijdend passeren we straten met kleurige namen die we met smaak luidop lezen, soms met een Amerikaans accent voor het extra-effect: de Zijpstraat, de Smoutstraat, de Zakstraat, de Kwezelweg, de Lekkernijstraat en mijn favoriet, de Kleine Warme Straat. De multiculturele cocktail waar ik in New York zo gewend aan ben, lijkt me in een Vlaamse context haast onwerkelijk: de jonge Chinees die perfect Brugs praat met zijn Vlaamse vrienden, de zwarte non in een witte kap en een lang zwart gewaad die op een vroege, stille zaterdagmorgen bloemen schikt op het altaar van de verlaten kerk van het Brugs Begijnhof, de lieve Marokkaanse kelner in Brussel die in vlekkeloos Nederlands, Frans en Engels zijn internationaal gezelschap van klanten bedient en het beeldschone zwarte jongetje van een jaar of zeven dat dromerig staat te staren achter het roodgeverfde hek van een piepklein bordeel aan de rand van mijn dorp.
En de winkels! Voor een winkeltje dat natuurvoeding en doopsuiker combineert, staat een versleten zwart bord waarop in krijt ‘ABRIKOZEN VOOR CONFITUUR’ en ‘BRUINEN ZONDER ZON’ staat geschreven. Iets verder in hetzelfde dorp staat in de etalage van een bakker in kinderhandschrift te lezen: “12 juni: papa, op deze dag mag jij alles doen!” En langs een grote baan zie ik schoenhandel ‘MUFIN’ en het “EROS, Doe-Het-Zelf-Center’.
En wat ik allemaal bijleer over Amerika van Vlaamse Amerika-specialisten die zich niet laten afschrikken door het feit dat ze nog nooit een voet in de VS hebben gezet. Wist u bijvoorbeeld dat de Amerikaanse vrouwen zo’n lange kunstnagels hebben dat ze de knopen van hun kleren moeten dichtmaken met behulp van een speciaal daartoe ontworpen toestelletje? Elk jaar moet ik diverse keren horen dat Amerikanen alleen maar hamburgers vreten en dat je in restaurants onmogelijk een glas water kunt krijgen omdat iedereen er alleen cola zuipt. Erger nog, zo zeggen sommige van mijn weldoorvoede, dagelijks fijne vleeswaren degusterende, pintelierende en van hoeveboter glimmende informanten: de meeste Amerikanen zijn ontzettend vet en gewapend. Over wapens gesproken: elk jaar zie ik er meer op de Belgische autowegen (tachtig procent meer dan vijftien jaar geleden, las ik in de krant). Ze zijn blauw, zwart, wit, grijs, geel en rood. De laatste zijn de gevaarlijkste. Je vrijt zoals je rijdt, suggereren reclameborden langs Vlaamse wegen. Als dat klopt dan zijn er in Belgie nu veel meer slechte, brute,haastige, onbeleefde, ‘ikke-de-eerste’ vrijers dan in 1980. Veel meer ook dan in het land van revolver- zwaaiende dikzakken die zich al heel macho voelen als ze 120 kilometer per uur rijden, 15 kilometer meer dan de maximumsnelheid.
Maar genoeg gesakkerd over Belgische kwalen. Ik associeer het landje vooral met de hartelijkheid en gastvrijheid die we er telkens krijgen van vrienden en familie. Elk jaar koesteren we ons iets meer aan hun warme omhelzingen en malse zoenen, de likjes van herkenning van hun honden, het sensuele genot van hun rijkelijke tafels, hun gezellige haardvuren op kille lenteavonden. En nog dit aan alle schatten die zich elk jaar verontschuldigen voor het slechte weer: het is echt jullie fout niet.
Al 25 nachten in Vlaanderen geslapen en nog eens zoveel voor de boeg. Ondanks de mee overgevlogen essentiele delen van mijn leven -Tom, Cajo de hond, drie hoofdkussens en mijn vier kilogram wegende ‘Encyclopedia of New York City’- knaagt de heimwee. Het overkomt me telkens weer. Wie daar uitleg bij behoeft, zal me wel niet begrijpen.
Dat wil niet zeggen dat ik me hier verveel. Om de haverklap zie ik Vlaamse trekjes waar ik vroeger achteloos aan voorbij zou gaan en die ik nu surrealistisch en ontroerend vind. Zoals dat houten bordje in een tuin in de Malpertusstraat waar ik op de tweede dag van mijn verblijf voorbijfiets. “Opvangcentrum voor verdwaalde duiven. Gesloten op woensdag”, staat er op. Wat me ook nog lang zal bijblijven is het heerlijke gevoel om nog eens in een kort rokje op de fiets te zitten en me niet belachelijk te voelen. Korte of lange rokken, nylon-kousen, hoge hakken, platformschoenen, een keurige regenmantel of een zondags kostuum als fietskledij: in New York zouden ze daarmee lachen maar hier gelukkig niet. Aan fietsers in afgrijselijk ogende koereurpakjes is hier anders ook geen gebrek. “Pas ne keer op, juffrouwke”, roept de leider van zo’n peleton haastige lelijkaards als ik op een zondagmorgen kalmpjes peddel op een in fietspad getransformeerde spoorweg. Voor ik hem van antwoord kan dienen, is hij al verdwenen. Over lelijke kleren gesproken, me dunkt dat steeds meer Belgen net zoals Amerikanen hun plunje lukraak bijeen graaien. Dat een mild hittegolfje een excuus is om een korte broek aan te doen, kan ik best begrijpen maar zijn die gek bedrukte shorts, slobberige T-shirts en andere terreuraanslagen op het oog echt nodig? Met de Amerikanen lachen, dat doen ze nog steeds graag, maar het verbluft me hoe moeiteloos ze hen intussen na-apen.
Even verbluffend is de ontdekking dat er nu ook in mijn dorp een McDonald’s is. De avond dat ik er passeer, zit hij afgeladen vol. De cirkel is rond, is mijn eerste gedachte, Amerika heeft me ingehaald. Ik hoef niet meer terug te gaan. De eerste vriend bij wie ik binnenkom, moet mijn gelamenteer aanhoren: “Hoe is het mogelijk! McDonald’s! Terwijl de winkels hier uitpuilen met lekkernijen, terwijl je al die goede restaurants hebt en zoveel mensen die zo goed kunnen koken!” De verschillen tussen Belgie en Amerika worden steeds vager. “Weet je vanwaar die mode komt om je onderbroek te tonen?” plaag ik een nichtje tijdens een familiefeest terwijl ik haar laag op de heupen hangende wijde khakibroek nog een rukje zuidwaarts geef. Ze haalt haar veertienjarige schouders op. Ik weet niet of ze me gelooft als ik zeg dat de trend gelanceerd werd door de eerste zwarte Amerikaanse rappers die gevangenen imiteerden. Die mogen immers geen riemen dragen en moeten dus in afzakkende broeken rondlopen.
Ik griezel en geniet.
Ik vloek als ik tijdens mijn eerste nacht wakker wordt van de ziekelijke varkensgeur die het Waasland bij wijlen zo verpest. Drie weken lang ruik ik varkens maar geen enkele keer zie of hoor ik een van de opgesloten sukkels. Een keer zie ik een bebloede varkenskop liggen in een boodschappenwagentje achter de toog van de vleesafdeling in supermarkt Unic. Paarden, schapen, geiten, koeien, prachtig gespierde stieren met krulletjes op het voorhoofd, kippen, ganzen, zelfs herten en kangaroe’s passeer ik dagelijks maar waarom is Vlaanderen zo beschaamd geworden om zijn varkens te tonen?
Ik beleef geweldig veel plezier aan het huisje bij de vijvers waar we de eerste helft van ons verblijf doorbrengen. De tomeloze zon, de blauwe reigers, de egeltjes, de eenden, de konijnen, de ochtenddauw, de avonden met vrienden rond het houtvuur in de weide, de zaterdagse markt in het dorp, de zondagse fanfare, de afwezigheid van telefoon, fax en televisie, de niet gehaaste winkeliers: ik was vergeten dat ik nog zo rustig kon worden.
De vierde week verhuizen we naar een heel ander paradijs: een dijkhuisje in de polders. Westwaarts zien we de toren van Watervliet, oostwaarts die van Boekhoute. Onze eerste zonsondergang is een panoramisch spektakel van goud, roos, purper, wit, rood en groen, met bliksemschichten die op drie verschillende plaatsen tegelijk uit de wolken breken. De stilte is dikwijls absoluut, zelfs in de dorpjes. Mannen in blauwe kielen met petten op hun rode hoofden , vrouwen in gebloemde schorten zonder mouwen, de geur van verse soep ‘s middags, wapperende was op maandag, het naar bleekwater geurend voetpad op vrijdag, een hele donkere Afrikaan aan het werk op het erf van een boerderij, ouderwetse kleren in de winkels, een Engelse buurman, een knappe boerezoon met een paardestaart, een kind achter het stuur van een tractor, fruitkwekerij ‘De Eenige Zoon’, droge worsten en fietsen tegen wind op middeleeuwse dijken. En het stinkt hier niet naar varkens.
“Hallo, met de roste muis”, zegt de stem aan de telefoon. “Dag, hier het wit konijn”, wil ik antwoorden maar in plaats daarvan vraag ik of er een tafel voor drie vrij is. “Geen probleem”, antwoordt de muis. De restaurant dankt zijn naam aan een vroegere uitbaatster die voor haar klanten op tafel danste en hen daarbij haar ‘roste muis’ liet zien. Die traditie wordt niet in stand gehouden maar het eten is er lekker. De tocht er naar toe alleen al maakt het restaurantbezoek de moeite waard. Door de rode avondgloed rijden we van ons huisje in het Muizenhol langs het Mollekot naar de Roste Muis, van waaruit het nog slechts een boogscheut is naar de Kattenhoek en Hondseinde. Wie denkt dat ik die namen uit mijn mouw schud, moet er maar even de kaart van Oost-Vlaanderen op nakijken.
Het is een wonderland waar we binnen enkele dagen weer uit moeten stappen. Daarna volgt nog een laatste weekend met vrienden in het Gentse Patershol en dan, back to the Big Apple. Tegen die tijd zal ik New York verschrikkelijk missen. Later, als de stad zich meester van me heeft gemaakt, zal ik weer dagdromen over een plaats als het Muizenhol. Ik ben inderdaad nooit lang tevreden. U wel misschien?