Banenplan

Hoog boven Ierland op weg naar Belgie dringt het, drie maanden na de begrafenis van mijn moeder, ineens tot me door dat ik geen ouders meer heb om naar toe te gaan. Ik ben vader- en moederlandsloos. Ik wil niet wenen maar toch wellen er tranen. Tom wrijft ze weg en zegt: “Kom eens hier mijn weeskindje”. De zon schijnt boven Ierland, Engeland, de noordzee en zowaar ook Belgie. Gisteren nog stampte ik in New York de sneeuw van mijn laarzen voor ik het huis binnenging. In de Wase tuin van Toms moeder is al een lentefeest losgebroken. Ik kijk mijn nog winterse ogen uit naar de vogels, bloesems, narcissen, sneeuwklokjes, krokussen geel en paars in het frisgroene gras en de nieuwe jonge zotte zwarte hond die Falco heet en ongelooflijk hoog kan springen, zijn vier langharige slijkpoten flodderend naar alle kanten. Drie nachten later wisselen we het Waasland voor de kust. Vanop ons terras tel ik, van de kerk in een boog tot aan de zee, twintig bouwkranen. En dat is nog maar een stukje van Knokke. Op dat vlak lijkt het hier wel New York, waar nooit zo koortsachtig gebouwd werd als in de laatste twee jaar. Maar ik zie alvast één verschil. Verleden zaterdag nog slalomde ik in Chelsea tussen vlaggetjes zwaaiende bouwvakkers, bulldozers, vrachtwagens en kranen. Vandaag, opnieuw zaterdag, zit ik in de zon op het stil terras te kijken naar twintig Knokse bouwkranen die lui hangen niets te doen. Time is money maar hier blijkbaar nog met mate. De modale New Yorkse bouwheer zou ervan gruwelen. Massa’s New Yorkers staan te trappelen om zelfs de dag des heren te mogen eren met een anderhalve of dubbele shift.

De eerste dagen verbaast de NewYorker in mij zich eens te meer over het gezapige tempo van sommige raders van de Belgische economie. Winkels en banken die over de middag sluiten en hun dagen bekeken houden op onmogelijk vroege uren. Treinen en bussen die het vertikken om na middernacht te rijden. Openbare werken, zoals hier in Knokke rond het station, die jaren aanslepen. Bij Belgacom staan 14 mensen in de rij. “Reken maar op anderhalf uur wachten”, zegt de mevrouw die voor me staat, “vorige keer had ik een parkeerboete opgelopen want je kunt slechts voor één uur betalen.” “U had toch even geld kunnen gaan bijsteken?”, vraag ik. “Maar dan was ik mijn plaats in de rij kwijt geweest.” “Toch niet als u de persoon achter u had verwittigd dat u zo terug was?” “Bij de meesten zou dat niet pakken madame”, zegt de vrouw gelaten, “ze zouden u niet terug in de rij laten.” Dat slaat me met verstomming. Wat in New York doodgewone hoffelijkheid is zou hier niet kunnen? Ik weiger om het te geloven. Misschien is die dame uitzonderlijk verlegen of achterdochtig. Dat komt hier wel meer voor. Intussen is de rij nog niets opgeschoten. Er werken slechts twee mensen in de winkel en het is zaterdag. Hier is duidelijk een schrijnend personeelstekort. Toch las ik net dat er meer dan twee keer zoveel werklozen zijn in Belgie als in New York. Ik ken het mantra intussen: “Het kost te veel om mensen aan te werven”. Ik fantaseer overal jobs. Op de oprij van de VRT sta ik te wachten op een taxi. Op het voetpad en achter mij in de struiken ligt het vol zwerfvuil. Ik weet dat er bezuinigd moet worden maar dit is genant. Er zou toch minstens iemand moeten aangeworven worden om het gezicht van de openbare omroep kraaknet te houden. Drie dagen later sta ik terug op dezelfde plaats. De rommel ligt er verdorie nog steeds. Volgende keer breng ik een vuilniszak mee en ruim het zelf op, zoals ik en enkele even zotte buren elke dag doen in ons New Yorks straatje. Het is iets als je tanden poetsen. Het voelt vies aan als je het overslaat. In Knokke moet ik dan weer aan een ander extreem wennen. Hier zendt de stad er straatvegers op uit. Tot nu toe heb ik alleen blanke heren gezien die de stadsbezems hanteren. Dat is dan weer prettig om zien. Ik kan me zo’n straatscene in het New York van vandaag niet voorstellen. Op de trein van Brussel naar Knokke zie ik dat er op sommige plaatsen verschillende werklozen aan de slag zouden kunnen gaan om de geaccumuleerde smurrie op te ruimen en weg te schrobben. Alleen de mooiste grafitti zouden ze mogen laten staan. Ook in benzinestations zijn er hier handen te kort. Verleden jaar stond ik in Maldegem te knoeien met het slot van de benzinetank van een huurauto. Toen ik binnen hulp ging vragen aan de uitbaatster die bezig was broodjes te smeren, zei die geirriteerd: “Mevrouw u ziet toch dat ik daar geen tijd voor heb. Ik moet hier een winkel uitbaten.” Ik beken dat ik in New York in benzinestations steevast self serve- pompen negeer en bij de full service ga staan, deels omdat ik lui ben als er technologie bij komt kijken en deels omdat ik de nieuwe immigranten wil steunen die er dag en nacht in weer en wind hun botten afdraaien. Hier is een idee om het fameuze ‘veiligheidsgevoel’ in Vlaanderen te verhogen. Bemande benzinestations zijn havens van veiligheid hoorde ik een Amerikaanse politie-woordvoerder onlangs verklaren. Als er ondernemende, moedige immigranten zijn die nachtwinkels open willen houden in Belgie waarom ze dan geen benzinestations laten bemannen‘s avonds en ‘s nachts? Er zouden kandidaten genoeg zijn.

16 maart 2007