Waterkanten

Een van de vele redenen waarom ik zo van New York City hou, is dat er zoveel water is. We hebben alles: de oceaan, baaien, inhammen, een brede stroom en tal van rivieren, meren, moerassen, beekjes en bronnen. Ik kan u zelfs meenemen naar een waterval in het hartje van de Bronx. New York heeft 930 kilometer waterkant. In het begin van de 20ste eeuw was het de belangrijkste haven ter wereld en de grootste industriestad van Amerika. Het bulkte van de fabrieken. De water- en luchtvervuiling waren verschrikkelijk. Na de tweede wereldoorlog verloor New York snel zijn pluimen als haven- en industriestad. Het water rond de stad was te ondiep voor de nieuwe containerschepen. De stad verloor in de laatste halve eeuw meer dan een miljoen industriele banen. Vele honderden pieren en fabrieken geraakten in verval. In de laatste twee decennia is er gelukkig een beweging op gang gekomen om de verwaarloosde waterkanten te recupereren voor woningen, parken of minder vervuilende lichte industrie. De pijlsnelle stijging van de waarde van onroerend goed in New York hielp daarbij een flink handje. Maar er is nog ongelooflijk veel werk aan de winkel. Hoeveel heb ik deze zomer met eigen ogen kunnen zien tijdens drie boottochten door telkens een ander oud havengebied. Omdat stedelijk verval me nu eenmaal fascineert, had ik die drie havenwijken de loop der jaren al vaker bezocht, met de fiets of per auto. Ik dacht ze te kennen. Maar vanop het water, traag en dicht langs de oevers glijdend in een kleine open boot, ziet alles er plots helemaal anders uit.

Eerst vaarden we door Newton Creek, een smalle rivier die de grens vormt tussen Brooklyn en Queens. In het begin van de 19de eeuw stonden er villa’s verscholen in het weelderig groen. Het was een vissersparadijs. Na de tweede helft van de 19de eeuw werd het een hellegat waar leerlooierijen, inktfabrieken, beenderverwerkende bedrijven en later olieraffinaderijen lustig hun gang gingen. Newton Creek was een open riool en is tot op vandaag een van de meest vervuilde waterwegen van Amerika. We vaarden langs honderden fabrieken. Sommige waren nog in gebruik maar de meeste stonden leeg. De tweede boottocht bracht ons naar Staten Island, opnieuw langs lege schelpen van fabrieken. Aan het zuidelijkste punt van het eiland gleden we langs houten en ijzeren scheepswrakken die als een immens surrealistisch theaterdecor in diverse staten van verval uit het water staken. “Dit is het grootste maritieme museum van Amerika”, zei onze kapitein tegelijk trots en treurig. ‘Kerkhof’ zou misschien een juister woord zijn. We gingen aan land om te lunchen op een scheepswerf waar enkele idealisten een paar 19de-eeuwse scheepswrakken aan land hebben gezeuld om ze met veel liefde en weinig geld te restaureren. Tijdens onze derde tocht exploreerden we Red Hook in Brooklyn. In de film “On the Waterfront” was dit de buurt waar Marlon Brando woonde en werkte als dokwerker en vocht tegen de Mafia. We vaarden door het Gowanus Canal dat zo mogelijk nog smeriger is dan Newton Creek. Beide waterlopen lopen dood. Omdat er geen vers water door spoelt, is de vervuiling er hardnekkiger dan elders. We passeerden voorbij afbrokkelende, reusachtige graansilo’s en lange, 19de eeuwse opslagplaatsen in rode baksteen met verroeste ijzeren luiken, waarvan sommige nu bewoond zijn door kunstenaars. We gleden langs lege, half-vergane dokken, verroeste haveninstallaties, twee afgelegen olietankers die een architect tot woon- en werkruimte heeft omgebouwd, een afgedankte suikerfabriek die ooit de grootste was van Amerika…ik voelde me als een kind zonder geld in een snoepwinkel. Ik zag me al hier wonen, vlak aan het water, waar ik Manhattan zou zien maar niet horen en ruimte zat zou hebben… Natuurlijk ben ik niet de eerste die dat briljant idee heeft. Er wordt behoorlijk wat gekibbeld over de toekomst van deze potentiele pracht tussen de stad, makelaars, industrielen, milieuactivisten en buurtbewoners.

Tijdens onze volgende boottocht gaan we de waterkant van de South-Bronx, New Yorks armste wijk, bezoeken. Decennia lang al leeft de bevolking er volledig afgesneden van wat ooit prachtige oevers waren. We zullen we langs een van de laatste grote stukken braakliggende grond van de stad varen. Het gras en de bomen die op die 11 hectaren groeien zijn misleidend. Er onder ligt wat ooit het grootste sluikstort van de stad was. De grond schoonmaken zal een fortuin kosten. Dat neemt niet weg dat er furieus wordt geruzied over het perceel. De stad wil er een gevangenis op zetten. De huidige eigenaar droomt van een electriciteitscentrale op aardgas, groot genoeg om heel de Bronx van energie te voorzien. De groenen willen er een park van maken. Een coalitie van buurtgroepen in de South-Bronx bedankt voor alle drie. Zij wil een industrieel recyclage-centrum op het terrein. Aan vuilnis is er in de Bronx geen gebrek. Een kwart van New York’s afval wordt er verzameld van waar het wordt getransporteerd naar vuilnisbelten ver buiten de stad. Wat de South-Bronx nodig heeft zijn jobs en niet-vervuilende industrie, zeggen de buurtgroepen. Dat valt niet te ontkennen. Maar waarom niet het aangename aan het nuttige paren en een stuk van het terrein reserveren voor een parkje waar je na het werk de boten kunt zien voorbijglijden met het panoramisch zicht van Manhattan op de achtergrond?



Augustus 2006