Vers

“New Yorkers eten slecht en veel te snel”, verklaart de Belg met wie ik op Broadway wandel, “Je vindt hier ook bijna niets vers en de porties in de restaurants zijn veel te groot”. De man stak 24 uren geleden voor het eerst in zijn leven de Atlantische Oceaan over. Tijd genoeg dus om met expertise over culinair New York te praten.

Een week later stop ik aan McDonald’s voor ik Knokke binnenrij. Het is al een poos donker; het gros der Belgen heeft zijn vers, evenwichtig, zelf-bereid avondmaal acher de kiezen. Ik ben hier al vaak voorbijgereden maar vanavond wil ik eens een gesofisticeerde Belgische McDonald’s van dichtbij meemaken. Op haar westvlaamse tongval na zou de jonge kassierster in een Amerikaanse McDonald’s kunnen staan. Haar wijde t-shirt kan haar Rubensiaanse vormen niet camoufleren. Vanachter mijn braaf flesje water en een niet zo bijster vers slaatje kijk ik jaloers naar de parade van jonge en oudere klanten die zich hamburgers, frieten en cola bestellen. Mijn New Yorks koninkrijk voor een van hun ijzeren Vlaamse magen.

Enkele dagen later ben ik opnieuw in New York. Zoals elke vrijdagochtend fiets ik naar de ‘Greenmarket’ op Union Square. Hier komen is altijd een sensueel feest. Nu het herfst is, is het tijd voor pompoenen, peren en verse appelcider. Een chef in smetteloos wit demonstreert hoe je pompoensoep maakt. Een blozend meisje met lange vlechten biedt de voorgangers stukjes versgeschilde peer aan. Een man in een overall en een rood flanellen hemd deelt papieren bekertjes appelcider uit. “Van mijn eigen oogst”, zegt hij. Ik geloof hem. Op de New Yorkse ‘Greenmarkets’ staan enkel boeren, vissers en bakkers uit de omtrek die hun eigen waren kweken, vangen of bakken. Ze zijn met 200 in totaal. Tussenpersonen zijn niet toegelaten. De eerste Greenmarket ging van start in 1976. Nu zijn er 30, verspreid over de stad. Die van Union Square is de oudste en de grootste. Geen vers eten in New York, zegt u? De meeste waren op deze markt zijn minder dan 24 uren geleden geoogst. De controle is streng. Vele Greenmarket-marktkramers zijn biologische boeren. Hun waren kosten wat meer maar ze zijn vaak het snelst uitverkocht. Wie te laat is kan zeven dagen per week terecht aan de rand van Union Square in Whole Foods, een biologische supermarkt-keten. De winkel is een feest voor het oog. Voor de allergrootste Whole Foods moet je naar de kelder van het nieuwe hoofdkwartier van Time Warner op Columbus Circle. Je kunt haast geen product bedenken of ze hebben er een biologische versie van. Er zijn winkelbedienden die niets anders doen dan de steevast lange rijen kopers naar de bijna vijftig kassa’s sturen. Je kunt er bereid eten kopen uit heel de wereld en ter plaatse opeten. Je schept op je bord wat je wil. Aan de kassa wordt de zaak gewogen. Voor het gemak is alles is even duur. Net zoals de Greenmarkets doen de Whole Food-winkels gouden zaken. Met hun jaarlijkse omzet van 12 miljard dollar blijven de biologische voedselproducenten nog een kleine pruts binnen de Amerikaanse voedselindustrie die een jaaromzet van 500 miljard heeft. Maar de laatste jaren steeg de omzet van biologisch voedsel met twintig procent, genoeg om de aandacht van de grote voedselconcerns te trekken. Opzij, ethisch-propere Oxfam-koffie. McDonald’s gaat koffie serveren van biologisch gekweekte bonen en met de ‘Fair Trade’- stempel, wat zou garanderen dat de koffiearbeiders in betere omstandigheden hebben gezwoegd. General Mills verkoopt natuurproducten onder merknamen als Cascadian Farms en Muir Glen, Kraft leurt met soya-burgers, zuivelreus Dean Foods verkoopt biologische soya-melk. Zelfs Wal-Mart, de grootste reus van al, wil op de biologische trein springen. De tijd toen alleen idealisten en marginalen met natuurvoeding bezig waren, is voorbij. Maar consumentengroepen vrezen dat het begrip ‘organic’ (biologisch gekweekt) onder druk van de voedsellobby steeds ruimer gedefinieerd zal worden. In het Congres wordt daarover al maanden gebikkerd. Begin november smokkelden Republikeinen op de valreep een amendement in het begrotingsontwerp van het ministerie van Landbouw waardoor voedsel dat zich adverteert als ‘organic’ meer artificiele ingredienten mag bevatten. Relatief onschadelijke ingredienten zoals bakpoeder, pectine, koolzuur en synthetische vitamine C mochten al maar de voorstanders van strenge biologische normen vrezen dat de lijst nu steeds langer zal worden. Ze vrezen vooral dat de lat steeds lager gelegd zal worden voor ‘foodcontact substances’, dingen die met voedsel in aanraking komen zoals ontsmettingsmiddelen en smeermiddelen. Voor de consument wordt het steeds moeilijker. Zelf probeer ik biologische melk te kopen. Niet alleen is hij zuiverder en lekkerder maar ook worden de leveranciers, de koeien, beter behandeld. Dat dacht ik toch, tot ik enkele dagen geleden las dat 30 procent van de Amerikaanse biologische melk van koeien komt die nooit op een wei grazen. Het gros van die grasloze melk komt van twee mega-melkboerderijen uitgebaat door Aurora Organic Dairy. Een ervan ligt in Platteville, aan de voet van de prachtige Rocky Mountains. De meeste van de 5.200 koeien staan er dag in dag uit op een mengeling van hooi, mais en soyabonen te kauwen zonder een sprietje gras in zicht. “Onze koeien zijn heel gelukkig”, zegt de directeur van Aurora. Dat hebben ze hem vermoedelijk zelf in het oor geloeid.



November 2005