In het kelderverdiep van het nieuwe Time Warner-hoofdkwartier in Manhattan heeft Whole Foods, de grootste keten van natuurproducten in Amerika, zijn grootste winkel. Ik sta er in de rij aan de visafdeling als een dame voor me kribbig vraagt: “Waar is de kreeftentank naar toe?” “We zijn gestopt met levende kreeften te verkopen mevrouw”, antwoordt de jongen achter de toog met een dik Spaans accent, “We hebben gekookte kreeft als u wilt.” “Dat is niet hetzelfde”, zegt de vrouw nukkig en ze wandelt weg. Ze heeft het niet gehoord maar enkele dagen geleden kondigde Whole Foods aan dat het geen levende kreeften meer wil verkopen, omdat het een vorm van dierenmishandeling is om de beesten voor een lange periode in overvolle tanken te stoppen. Zelf heb ik nog nooit een levende kreeft gekocht, noch het hart gehad om zo’n dier levend in kokend water te dumpen. De zeldzame keren dat ik kreeftevlees koop, is het al geplukt en gekookt, wat me even goed medeplichtig maakt aan kreeftenmoord. Nadat de visverkoper me mijn tien sardienen en halve kilo tong heeft overhandigd, blijf ik nog even staan aan de oestertoog. Twee jongens zijn vliegensvlug schelpen aan het openkraken. Oesters liggen open en bloot te glanzen op ijs. Het is een zicht dat sommigen doet watertanden maar mij laat het koud. Ik heb nog nooit zin gehad om een oester te proeven. Het rauwe en glibberige van het beestje zal er wel mee te maken hebben. Een verse oester leeft als hij uit de schelp wordt gehaald. Hij wriemelt wel niet zoals een kreeft in haar finaal kokend bad maar wie zegt dat het diertje niet op zijn manier lijdt als een scherp mes het lossnijdt van zijn schelp? Maar goed. Oesters verdienen ons medelijden (nog) niet volgens Whole Foods, kreeften wel. De keten is een trendsetter maar het valt nog af te wachten of de rest van de Amerikaanse visverkopers zijn voorbeeld zal volgen.
Kreeft is niet het enige eten dat tegenwoordig medelijden opwekt. In Chicago, de stad waar ooit de grootste en brutaalste slachthuizen van de wereld waren gevestigd, mag sinds april geen foie gras meer verkocht worden. In Californie, waar restaurants die foie gras serveerden gevandaliseerd werden door radicale dierenvrienden, wordt de productie en verkoop van de eende- en ganzelever vanaf 2012 illegaal. New York City, de stad die meestal op kop loopt in allerlei nieuwigheden, doet niet mee aan de anti-foie gras-beweging. Er wordt dan ook nergens in Amerika zoveel van de dure delicatesse geconsumeerd als hier. Ver moeten de New Yorkse restaurateurs de levers niet halen: de staat New York is de grootste producent van foie gras in Noord-Amerika. Machtige belangengroepen staan een verbod in de weg maar dat belet de Amerikaanse Humane Society (Dierenbescherming) niet om het toch te proberen. Deze lente diende de groep een petitie in bij de staat waarin een verbod van foie gras werd geeist op grond van een wet die de verkoop van vlees van zieke dieren verbiedt. De groep wees er op foie gras-producenten hun vogels dwingen om te eten zodat hun levers zes keer groter worden dan normaal –een bewijs dat ze ziek zijn, volgens de Humane Society. “Onzin”, antwoordt Michael Ginor, die 7000 levers per week verwerkt en daarmee de grootste foie gras-producent is van Amerika. “De vogels zijn niet ziek en de mensen die hun levers eten worden er niet ziek van. Mensen eten al meer dan 5000 jaar foie gras, als je er ziek van zou worden, zou dat intussen wel al gebleken zijn”.
Kreeft en foie gras zijn natuurlijk luxe-producten. De biefstukken van koeien die op weidegras zijn gekweekt, de scharrelkippen en de biologische hot dogs die ik passeer in de vleesafdeling van Whole Foods, zijn dat ook. Het zijn extra-dure voedingswaren die bij veel gewone Amerikaanse gezinnen nooit op tafel komen. De meeste mensen hebben grotere zorgen dan hoe de dieren ze eten, behandeld werden. Of hoe de mensen die hen slachten behandeld worden. Smithfield Packing in Tar Heel in North Carolina is de grootste varkensslachterij van de wereld. Elke dag snijden 5.500 arbeiders er 32.000 varkens aan stukken. De omstandigheden zijn er brutaal voor dier én mens. Na jaren tegenstribbelen verhoogde het bedrijf in juli eindelijk het basisloon van 8,10 naar 9,20 dollar. Dat is net genoeg om een gezin van vier boven de armoedegrens te houden. Dan moet je wel het goedkoopste vlees op tafel zetten. Rond die tafel zal er niet gediscussieerd worden of levende kreeft en foie gras verboden moeten worden. Het zal hen worst wezen. Het is een debat van mensen die rijk genoeg zijn om meer te betalen aan de kassa. Een luxe-probleem over luxe-producten voor luxe-mensen. De behandeling veranderen van de miljarden varkens, koeien, kippen en andere dieren die we dagelijks eten verorberen is een ander paar mouwen. Maar het feit dat mensen zich morele vragen stellen over hoe ze andere wezens behandelen, kan ik alleen maar toejuichen. Zelfs als het nog beperkt blijft tot kreeften, ganzen en misschien dolfijnen. Mensen gaan om met dieren zoals de racist die alle zwarten veracht, behalve deze die hij persoonlijk kent. Michael Pollan, auteur van “The Omnivore’s Dilemma”, een boek over de onfrisse achtergronden van wat dagelijks op ons bord komt, schreef in 2002 een serie artikels voor The New York Times over het leven van een jong stiertje dat hij gekocht had. Zoals zijn lotgenoten werd het enkele maanden vetgemest en dan geslacht. Toen de slachtingsdatum naderde, boden lezers hem grote sommen geld aan om de stier te kopen en zo van de dood te redden. Een Hollywood-producer wou het beest op zijn grasperk in Beverly Hills laten grazen. Maar Pollan hield zich aan het plan. Van zijn stiertje heeft hij niet geproefd. Maar hij eet nog steeds rundsvlees, ondanks alle onappetijtelijke praktijken die hij in de loop van zijn research te weten kwam. Van kalfsvlees blijft hij af maar een plak foie gras gaat er nog steeds in. Zo heeft elke omnivoor zijn eigen code.
Juli 2006