De oude rakker heeft zijn vaste stek op een stuk karton voor een restaurant. Gisteravond zag ik vanuit mijn raam hoe drie meisjes hem enthousiast begroetten. Hij leek hen te kennen. Hij stond stram op en kwispelstaartte. Een van de meisjes streelde zijn kop, een ander zette hem twee plastiek bakjes voor, eentje met water en eentje met hondebrokken. Hij nam enkele hapjes en slokjes, kwispelstaartte nog even merci en stak toen, zonder op het verkeer te letten, de straat over. Aan de overkant wipte hij, met een lenigheid die je van een hond van zijn leeftijd niet zou verwachten, in een grote kartonnen doos die bij het huisvuil stond. Ze leek op maat gemaakt voor zijn goed gevoed, flink uit de kluiten gewassen lijf, een mengeling van herdershond en labrador. Deze ochtend toen ik naar de bakker ging, lag hij weer ontspannen uitgestrekt te slapen in zijn hoekje op het voetpad voor het restaurant. Toeterende auto’s, duizenden voorbijgangers, krijsende meeuwen en roeken, voorbijwandelende poezen: hij leek er heel gerust in dat niets of niemand hem kwaad zou doen. Hoogst waarschijnlijk had hij gelijk. “Hond”, zoals ik hem heb gedoopt, is een straathond in Istamboel. Wie de half- Europese, half- Aziatische stad een beetje doorkruist, kan er niet naast kijken: in weinig grootsteden zie je zoveel straathonden en straatkatten als hier. Het is nu mijn derde week in Kadiköy, een aangename deelgemeente aan de Bosporus, op 20 minuten varen met de ferry van het oude stadscentrum.
“Als straathond kun je nergens beter zijn dan in Kadiköy”, zegt Yasemin Baban, een bekend figuur in Turkse dierenvrienden-kringen. Zo te zien heeft ze gelijk. In de straten en parken lopen ze vrij rond. Ze dragen allen een vlooienbandje en hebben een plastiek clipje in het oor, het bewijs dat ze gesteriliseerd zijn. De deelgemeenten van Istamboel hebben allen hun eigen hondenbeleid en volgens Baban is dat van Kadiköy het beste. De zwerfhonden worden opgepakt, verzorgd, gesteriliseerd en weer losgelaten waar ze gevonden werden. De dieren zien er stuk voor stuk gezond uit. Sommige, zoals ‘Hond’, lijken zelfs wat overvoed. Het kilometers-lange park langs het water lijkt een hondenparadijs. De zwerfhonden en honden met baasjes hebben er blijkbaar een vredespact gesloten. Er is een omheinde kennel waarin drie honden zitten. “Die durven wel eens agressief zijn”, legt een vrouw die haar eigen hond elke dag in het park wandelt me uit, “daarom zitten ze apart. Ze hebben het hier in elk geval beter dan in een stadsasiel.”
Er kwamen pas honden in Istamboel toen de Turken de stad in 1453 veroverden. De Byzantijnen die er eerder de plak zwaaiden, verkozen poezen omdat ze dat een verfijnder dier vonden. De straathonden konden hun gangetje gaan tot een sultan in de 19de eeuw de stad wou verwesteren en dat betekende dat de honden uit het straatbeeld moesten verdwijnen. Ze werden opgepakt en verbannen naar een onbewoond eilandje in de zee van Marmara waar ze aan hun lot werden overgelaten. Ze huilden zo luid dat men ze tot in de stad kon horen. De bevolking kwam in opstand en eiste dat de honden zouden worden terug gebracht. De sultan moest toegeven maar zijn opvolger probeerde het opnieuw. Ondanks protest werden de stratiers weer naar het eilandje gedeporteerd. Een week later brak er een immense brand uit in de stad. De bevolking was woedend. ‘Waren de honden hier geweest dan zouden ze ons gewaarschuwd hebben”, werd er gezegd. Opnieuw mochten de honden terugkeren. En zo ging het maar door. Telkens weer probeerde de overheid de straathonden weg te krijgen en telkens kwam de stadsbevolking in opstand. Na hun staatsgreep in 1980 lieten de militairen meer dan 88.000 honden afslachten. “Wij hebben weer eens een probleem opgelost dat de burgerlijke overheid niet aankon”, zeiden de generaals.
Ze maakten zich illusies. Alleen al in het Europese stadsgedeelte van Istamboel lopen er weer meer dan 100.000 straathonden rond. In de drie grootste steden van Turkije samen zouden er ruim een half miljoen zijn. Op papier zijn ze wettelijk beschermd tegen wreedaardige praktijken maar toch hangt hun lot weer aan een zijden draadje. In 2010 wordt Istamboel “culturele hoofdstad van Europa” en volgens organisaties van dierenvrienden gaat dat prestigieuze project gepaard met nieuwe pogingen om de straathonden te elimineren. In april kregen Yasemin Baban en andere vrijwilligers plots verbod om het asiel van Beykoz, waar 2000 honden zijn opgesloten, nog te betreden. Niet veel later werden hondelijken gevonden in naburige steengroeven. “De honden van Beykoz worden gedood of gedeporteerd naar bossen rond de stad waar ze geen kans hebben om te overleven”, meent dierenvriend Hank Curfs, een Nederlander die in Istamboel woont, “zo maakt men plaats voor een volgende lading zwerfhonden die hetzelfde lot zal ondergaan.”
Het is zondagnamiddag en Curfs neemt me mee naar Kemerburgaz, aan de beboste rand van de stad. De aarden weg splitst; de baan rechts leidt naar een hondenasiel van de stad, die naar links naar een asiel dat met privé-geld wordt uitgebaat. Daar worden we verwelkomd door drie hartelijke Turkse verzorgers. Op enkele zieke nieuwkomers na zien de meer dan 300 dieren er goed verzorgd uit. Ze hebben ruimte zat en zijn rustig. Van hieruit zien we het stadsasiel op de top van een heuvel, “De honden zitten er als sardienen opeengepakt”, zegt Curfs, “buitenstaanders mogen er niet meer binnen. Hoor je hun gestresseerd geblaf?” Het akelige geluid echoot nog lang in mijn oren. April 2008