EEN VLAMMEND STUKJE

Ik ben verzot op het sensueel genoegen van een houtvuur. Het zal u misschien verbazen dat ik wat dat betreft in New York City aan mijn trekken kom. Als ik op koude avonden door mijn buurt wandel, vangt mijn neus meestal wel ergens het scherpe, oeroude parfum van brandend hout op. In vele oudere huizen maar ook in oude en nieuwe luxe- apartementen zijn er open haarden. Haardvuren zijn zo in trek dat de New Yorkse Zagat-restaurantgids een afdeling "Restaurants with a fireplace" heeft. Ook in hotels zijn ze populair. Onlangs had ik een afspraak in de lobby van het vernieuwde Gramercy-hotel. Ik was bijna met geen stokken weg te krijgen uit mijn zachte zetel voor het laaiende vuur in een haard van kasteelachtige afmetingen. In elke betere supermarkt en groente- en fruitwinkel liggen in plastic verpakte bundeltjes houtblokken te koop, goed voor enkele uurtjes knetterplezier. Zelf heb ik er nog nooit een gekocht. Ik heb namelijk tot mijn grote spijt geen open haard. In 1985 knapten mijn vriend en ik oud houten huis op in New York. De ruime, zonnige zolder werd mijn bureau. Centrale verwarming was er niet, dus installeerden we er een vinnige Noorse houtkachel. Vaak zette ik het deurtje open, plaatste er een scherm voor en voila, ik had een variatie op de open haard waar ik heel mijn leven had van gedroomd. Ik kocht nooit hout. Ik vond mijn brandstof op braakliggende terreinen en bij het huisvuil van mensen die in hun tuin hadden gehakt of gesnoeid. Geverfd of chemisch bewerkt hout liet ik liggen. Hoe gek ik ook was op houtvuur, ik was me bewust van de vervuiling die het veroorzaakt. In New York bestond toen nog geen enkel milieu-reglement inzake open haarden, houtkachels of met hout gestookte verwarmingsketels. Het was dan ook vrijwillig dat ik 300 dollar extra had betaald om een catalysator in mijn kacheltje te laten installeren die het creosoot-gehalte in de rook beperkte. In 1998 verhuisden we. Ik nam met spijt afscheid van mijn houtkachel. Opnieuw knapten we een oud huis op. Opnieuw wou ik een houtkachel, dit keer op een plaats die wat logischer en efficienter was, in de keuken op het gelijkvloers. Omdat mijn eerste kacheltje me zo bevallen was, ging ik naar de winkel waar ik het gekocht had en vroeg ik hetzelfde model. "We verkopen het nog", zei de winkeldame, "maar ik moet u verwittigen dat u tegenwoordig niet meer zo maar een houtkachel of open haard kunt installeren. U moet eerst plannen laten maken door een architect die dan moeten worden goedgekeurd door de stad. Reken dat u met de kachel en installatie inbegrepen aan een tien- tot vijftienduizend dollar zult komen." Zo’n prijs kon ik me niet veroorloven. "Ze maken het zo duur om de mensen te ontmoedigen om met hout te stoken", zei ze , "in onze sector verwacht men zelfs dat de milieuwet in New York zo streng zal worden dat houtkachels en open haarden verboden zullen worden." Ik vroeg haar of ze vreesde voor de toekomst van haar zaak maar dat bleek niet het geval. “Meer en meer mensen kopen nu kachels en haarden met gasvlammen. Tegenwoordig zijn er modellen op de markt die heel natuurlijk lijken". Ik beken dat ik gashaarden altijd kitscherig had gevonden. Het was dus met enig scepticisme dat ik haar enkele modellen liet demonstreren. Een ervan was een kacheltje dat goed leek op mijn vroegere houtkachel. De vlammende nep-houtblokken leken verbazend realistisch en straalden veel warmte uit. “Het enige wat de stad eist, is dat de kachel wordt geinstalleerd door een erkende loodgieter”, zei de dame. Voor ik van gedacht veranderde, kocht ik me er eentje. Ik heb er nog geen moment spijt van gehad. Natuurlijk blijf ik van een grote open haard dromen, zo een waarin je bijna kunt wegkruipen en ketels soep koken voor wel twintig man. Noem het een terugkerende vuile droom. In de woon- en zitkamer op het gelijkvloers compenseer ik het gebrek aan houtvuur intussen met kaarsvlammen en sinds het begin van deze winter met een draagbare haard. Over kitsch gesproken. Gevonden via het internet. Wil ik enkele uren knetterend vuur zonder schouw noch rook dan open ik twee blikken"Real Flame", een gel die volgens de verpakking milieu-vriendelijk is. Ik hou er een vlam tegen en de gel begint meteen te branden. Ik zet de blikken tussen de namaak-houtblokken in mijn 'open haard' en voila. Mijn partner lacht me er een beetje mee uit. Onze bezoekers vinden mijn haardje van een rare, fascinerende gezelligheid. Als de centrale verwarming uitvalt zal het geen hulp bieden. Het ding is zelfs niet in staat om een toilethokje op te warmen.

De echte verwarming komt bij ons thuis van aardgas. In januari was de prijs van gas en olie 40 procent hoger dan een jaar geleden. Voor veel Amerikanen is dat een catastrofe. Hout als brandstof is een goedkoop en in dit grote land vaak gratis alternatief voor olie en gas, ook al maken steeds meer mensen zich zorgen over de milieu-impact ervan. In de voorstedelijke gebieden rond de stad New York werd vorig jaar 20 procent meer houtkachels en met hout-aangestookte verwarmingsketels verkocht. Eén enkele met hout-gestookte verwarmingsketel kan evenveel gevaarlijke stofdeeltjes produceren als 205 olie-branders en 20 houtkachels. Die vervuiling heeft al een aantal gemeenten aangezet om hun gebruik te reglementeren. Maar op nationaal vlak is er nog geen enkele beperking op het gebruik van met hout gestookte ketels en op niveau van de deelstaten is de toestand nauwelijks beter. Tot slot een bekentenis. Vorige zomer kocht ik een ronde, simpele, ijzeren firepit, een vuurpot op poten. Ik zette hem in het midden van ons tuintje. Ik stookte er vuren in met gevonden hout. Ik zat er 's avonds rond met vrienden. Ik roosterde er vissen op. Ik voelde me wel schuldig over de luchtvervuiling die ik veroorzaakte maar dat woog niet op tegen het heerlijk gevoel van kamperen in de grootstad Januari 2008