"Als kind kreeg ik nooit verse groente of fruit", zegt Melissa in haar zangerig Engels, "Mijn moeder zei, als je vers fruit wil, moet je maar in de bomen klimmen." We zitten bij haar thuis, onder een dak van palmbladeren, te genieten van de lekkere maaltijd (niets uit blik) die ze heeft klaargemaakt. We zijn in het zuiden van Belize. Mocht u het zich afvragen: Belize is dat klein landje -er wonen hoop en al 310.000 mensen- dat er op de kaart uitziet alsof Mexico en Guatemala het in de Caraibische Zee willen duwen. Melissa, wiens moeder een Maya-Indiaanse is, is gehuwd met Bruno, een Duitser. Samen baten ze Sun Creek Lodge uit, een van de eco-toeristische verblijven die de laatste jaren opgang maken in Belize. "Niet te geloven", zeg ik, "geen verse groente of fruit en dat in een tropisch land!" De volgende ochtend neemt Bruno me mee naar een plantage waar pesticide-vrije cacao en koffie wordt gekweekt. Nog nooit zo'n enthousiaste boer ontmoet als Eladio Pop. Ook hij is een Maya. Zijn plantage is eigenlijk een zorgvuldig beheerd stuk jungle waar hij zijn duizenden cacao- en koffiestruiken in de gaten houdt en vertroetelt. "Er is zoveel eten in de jungle", zegt hij, "maar de meeste Belizeanen, ook veel Maya's, hebben die kennis verloren." Hij laat ons proeven van noten, het hart van de stengels van wilde bananen, bloemen, wilde limoenen die er als sinaasappels uitzien en kruiden. Als toetje krijgen we een traditioneel Maya-drankje gemaakt van de cacao-bonen van eigen kweek. Boer Pop legt uit welke plant goed is voor welke kwaal. Hij toont de vissen in het riviertje dat door zijn plantage loopt en vertelt over de wilde varkens, de herten en ander wild waar hij zelf niet op jaagt maar zijn vader wel. "Niemand hoeft honger te lijden in Belize", zegt Bruno op de terugweg, "maar toch is er ondervoeding in dit potentiele paradijs."
"Belizeanen eten vuilnis, letterlijk en figuurlijk, en de vraag is waarom", zo begint het editoriaal van 28 januari in 'Amandala"', de grootste krant van Belize. "Dat klopt", zegt Melissa, "de reden is dat Belizeanen lui zijn." Ze lacht. "Ik mag dat zeggen want ik ben zelf van hier. Maar het is waar. Belizeanen willen jobs waarbij ze hun handen niet vuil maken. Ze willen zelf niets kweken en daardoor eten ze ongezond." Melissa veegt met een grove borstel maar het is waar dat veel vruchtbare grond in Belize onbenut blijft. Tot het midden van de twintigste eeuw waren de Europese kolonialen en later de plaatselijke elite vooral geinteresseerd in de winst die er te maken viel met kostbare houtsoorten zoals ebbenhout. In provincies zoals Orange Walk en Corozal waar geen bossen waren, werd vanaf de jaren 1960 suikerriet gekweekt voor de export. Van serieuze landbouw was er al die tijd geen sprake. Wie dieren of groenten of fruit kweekte, deed dit om dezelfde reden als mijn vader en grootvader in hun oostvlaams dorp: om het eigen gezin van eten te voorzien.
Amerikaanse televisie deed haar intrede in Belize in het begin van de jaren 80. Tot dan was 'fat' een schoonheidsideaal net zoals het dat vandaag nog is in sommige streken van Afrika. Dat dit ideaal vaak verantwoordelijk was voor diabetes en hoge bloeddruk realiseerden de meesten zich niet. Vet eten en dingen in blik, vaak geimporteerd uit het buitenland, zoals Melissa het kostje bij haar thuis beschreef, waren de norm. "We stelden ons daar geen vragen bij", zegt ze. Tot de Amerikaanse tv arriveerde. De VS mag dan ook wel zijn part aan dikke mensen hebben, het schoonheidsideaal is slank en zelfs mager. "Gezond eten is duur in Belize want we produceren veel te weinig zelf", zegt Melissa. Zij kan het weten want ze zet haar gasten elke dag een verse maaltijd voor. "Al sinds de tijd van de houthakkers, zijn het de handelaars die rijk zijn in Belize", stelt het Amandala-editoriaal, "Een van hun voornaamste bronnen van inkomsten is de import van voedsel." Toen de meeste Belizeanen niet langer werk vonden in de bosbouw, lanceerde de regering een 'Groene Revolutie’ om de landbouw te bevorderen maar dat werd een flop. Deels vanwege de onwil van de vaak van slaven afstammende Belizeanen om de boerenstiel op te nemen, deels, volgens Amandala, omdat de machtige lobby van de voedsel-importeurs en -verkopers tegenwerkte. Dat de landbouw zich toch ontwikkelde, dankt het land aan zijn immigranten. Belize heeft een van de meest raciaal gemengde bevolkingen ter wereld. In de jaren 1950 werd het palet verrijkt door een blanke kolonie van Mennonieten, een stricte christelijke secte van Duitse komaf met negentiende eeuwse gewoonten zoals de Amish. In de jaren 1980 werd Belize een toevluchtsoord voor duizenden Nicaraguanen, Salvadorianen en Guatemaltezen op de vlucht voor de burgeroorlogen in hun landen. Beide groepen hadden het boeren in hun bloed en staken de handen uit de mouwen. De commerciele landbouw in Belize kwam eindelijk op gang. Intussen trokken meer dan 150.000 Belizeanen naar Amerika, bijna de helft van de huidige bevolking van Belize. Zij sturen geld naar hun familie thuis en dat ontneemt volgens Melissa voor velen de stimulans om zelf aan de slag te gaan. Het potentieel is er nochtans. Experten zeggen dat de Belizeaanse landbouw, mits de nodige steun, genoeg zou kunnen produceren voor eigen gebruik en export. Dat die steun achterwege blijft, komt volgens Amandala omdat "het in Belize de handelaars zijn (en niet te vergeten de drughandelaars) die de politieke campagnes financieren, niet de boeren".
Februari 2009