Op 4 april was het precies 400 jaar geleden dat ontdekkingsreiziger Henry Hudson met twintig matrozen aan boord van De Halve Maene vertrok naar wat nu New York is. Vijf maanden later voer Hudson de stroom op die naar hem zou worden genoemd, in de hoop om een doorgang naar Azie te vinden. Na een week varen was het hem duidelijk dat dit niet zou lukken. Hij maakte rechtsomkeer en zou nooit meer terugkeren. Een beetje verkeerdelijk grepen de Nederlandse overheid en het New Yorkse stadsbestuur de verjaardag van zijn mislukte reis aan om dit jaar de feestcampagne “New York 400” te lanceren. In werkelijkheid duurde het nog tot 1624 voor de eerste immigranten door de Oost-Indische Compagnie werden afgezet op een eilandje voor Manhattan. Het was het prille begin van de grondige vernietiging van wat toen een van de rijkste estuaria ter wereld moet geweest zijn. De vroege beschrijvingen ervan bulkten van enthousiasme. Jasper Danckaerts, een Hollander die de streek verkende in de 17de eeuw, meldde: "Het is haast onmogelijk te beschrijven welk een overvloed aan vissen de baai bevat, groot en klein, walvis, tonijn, bruinvis en vele scholen van andere vissoorten die de arenden en andere roofvogels fluks verschalken wanneer ze zich aan de oppervlakte wagen." Er zwom steur, elft, ombervis, karper, snoek, kabeljauw, baars, haring en makreel. Er patrouilleerden haaien. Er dartelden zeehonden. Van de oesters werd gezegd dat ze zo groot als biefstukken waren. "Er waren genoeg oesters om al het water in de haven van New York te filteren", schrijft Mark Kurlansky in zijn boek "The Big Oyster, History on the Half Shell” (2006, uitgeverij Ballantine). Tegen 1930 waren alle New Yorkse oesterbanken gesloten wegens verregaande vervuiling. 21 jaar later schreef Joseph Mitchell in The New Yorker: "Het water van de haven zit vol olie, ziektekiemen en smurrie. Volgens de mannen op de baggermolens kun je het slijk in flessen stoppen en als gif verkopen. De bodem is bedekt met rioolslib, fabrieksafval en oliedrab". Al meer dan een eeuw geleden waren er mensen die waarschuwden dat onbeteugeld winstbejag het water in en rond New York grondig aan het verknoeien was. Verontwaardiging over de vervuiling van de Hudson deed de eerste Amerikaanse milieubeweging ontstaan. Maar pas afgelopen 15 mei konden de nazaten van die eerste milieu-activisten een glas champagne drinken op de gezondheid van de machtige stroom. Eindelijk begon men met het wegscheppen van het zwaar vervuilde bodemslib. Nochtans had de federale overheid een groot stuk van de Hudson al 25 jaar geleden opgenomen in de lijst van "Superfund sites" (de meest vervuilde plaatsen van het land die het dringendst zouden schoongemaakt worden met geld van een daartoe opgericht ‘superfonds’). De vertraging kwam onder meer door een aanslepend debat tussen de experts. Sommige vonden het beter om het giftig slib te laten liggen waar het lag, andere vonden dat te gevaarlijk: stormen woelen het om, overstromingen kunnen het aan land brengen. Gelukkig werd voor de opruim gekozen. Het wordt een gigantisch werk. Twaalf baggerboten zullen er dag en nacht, zes dagen per week, mee in de weer zijn. Anderhalve kilometer-lange goederentreinen zullen om de paar dagen de vieze smurrie transporteren naar een vuilnisbelt in Texas die gespecialiseerd is in de verwerking van dit soort gif. Alleen al twee fabrieken van General Electric hebben over een periode van 30 jaar 590 ton PCBs in de Hudson gedumpt. Pas in 1977 werd dat verboden. Beter laat dan nooit. "Vandaag begint de genezing van de Hudson", zei een vertegenwoordiger van de EPA (Environmental Protection Agency) toen een computer-bestuurde baggerboot de eerste schep modder bovenhaalde terwijl politici, kaders van General Electric en milieu-activisten toekeken. De bagger-operatie is slechts de beginfase van werken die, als het geld voorhanden blijft, zullen duren tot 2015. Het resultaat zou een schone Hudson zijn, grotendeels ontdaan van vele decennia achteloze industriele vervuiling. Maar het is nog te vroeg om victorie te kraaien. De bagger-operatie zal slechts 10 kilometer van de rivier zuiveren. General Electric overziet en betaalt voor de werken die op 750 miljoen dollar werden geraamd maar allicht veel duurder zullen uitvallen. Dat zint het bedrijf natuurlijk niet. Het liet zich onlangs ontvallen dat het zich het recht voorbehoudt om niet te betalen voor de tweede fase van de schoonmaak-operatie, waarop de overheid reageerde met het dreigement van gigantische boetes. General Electric staat onder grote druk. Het bedrijf is verantwoordelijk voor 52 Superfund sites over heel het land. Tegelijk probeert het zich een milieuvriendelijk imago aan te meten met haar nieuwe afdeling ‘Ecomagination’ die energie-besparende technologie zou maken.
Gewone New Yorkers zoals ik kunnen intussen blijven dromen. Afgelopen maart kneep ik mijn fietsremmen dicht toen ik langs de Hudson een zeehond zag die op een houten pier lag te zonnen. In mijn 29 jaar in de stad had ik dit nog nooit gezien. Elk jaar zag ik wel het aantal vissers toenemen hoewel dokters zeggen dat zelfs een kerngezonde mens hooguit 2 keer per week vis uit de Hudson zou mogen eten. Kinderen en mensen met een zwak immuun-systeem proeven er beter helemaal niet van. Binnen enkele weken is het weer tijd voor de jaarlijkse zwemwedstrijden in de Hudson. De laatste jaren mogen zelfs kinderen mee in het water duiken. Allemaal in volle stad. De waterpret zal nog veel groter worden als General Electric haar belofte houdt en de Hudson herstelt met zuiver slib en inheemse rivierplanten.
Mei 2009