Kater

Het is de ochtend na Mardi Gras in New Orleans. Ik ben net wakker geworden. Tegen mijn zin haal ik de dopjes uit mijn oren. Ze zijn de laatste nachten goed van pas gekomen. Ik luister. Een paard klipklopt onder mijn raam voorbij. Een vogel fluit. Een vrouw lacht. Een deur klapt dicht. Dan verbrijzelt een startende wagen en een loeiende sirene het bedrieglijk moment van dorpse stilte in de ‘French Quarter’. Aan de overkant van mijn hotel staat een monumentaal 19de eeuws voormalig gerechtsgebouw waarin nu een politiekantoor is ondergebracht. In de voortuin is er een terras met tafeltjes en stoelen. Iedereen mag er binnen. Vannacht zaten er mensen te drinken onder de palmbomen. Vier vrouwen verkochten er venijnig uitziende alcoholische drankjes in plastieken bekers. Intussen liepen agenten in en uit, de zattigheid in hun voortuin en omliggende straten negerend. Het is een ondenkbare scene in het New York van tegenwoordig. New Orleans is de enige stad in Amerika waar geen boete staat op alcohol drinken in het openbaar, zolang je het maar uit een “go-cup” doet (een plastiek beker) in plaats van een fles of blikje. Veel café’s hebben de bekers naast de deur staan voor als je naar buiten wil. Drinken op straat mag, publieke dronkenschap niet. Dit jaar zou een half miljoen mensen Mardi Gras zijn komen vieren. Dat is de helft van in de jaren voor Katrina. Toch zag ik in Bourbon Street genoeg zatte mensen voor de rest van mijn leven. Bang voor arrestatie hoefden ze niet echt te zijn. Niet alleen zijn er minder politieagenten dan voor Katrina maar het gerechtssysteem van New Orleans en de rest van Louisiana is kreupel door het geldtekort en de heropbouw-vertragingen waarmee ongeveer alle openbare diensten te kampen hebben. “Ons Guantanamo aan de bayou”, zei een advocaat tegen een plaatselijke krant over de meer dan 4.000 mensen die voor Katrina werden gearresteerd en nog steeds niet voor een rechter zijn verschenen. “De meesten zijn arm”, voegde hij er aan toe, “velen hebben zelfs nog geen advocaat gezien. Van de 42 advocaten die gratis rechtsbijstand verlenen, zijn er nu hoop en al nog zes aan het werk. Normaal worden ze betaald met de opbrengst van verkeersboetes. Dat is altijd al een onregelmatige geldbron geweest maar nu er veel minder mensen wonen en werken in New Orleans, is de situatie helemaal onzeker.” Onzeker. Ik heb dat woord al veel gehoord sinds ik in New Orleans ben. Vele toeristen hebben ongetwijfeld een perfect carnaval-weekend gehad. Alle nodige ingredienten waren aanwezig: van de hotels en restaurants met vriendelijk personeel tot de beroemde officiele en geimproviseerde stoeten, de meer dan tachtig life-concerten en de occasionele plagende blote borsten op Bourbon Street. Het grote verschil met andere jaren was dat er van alles minder was. Zelf ben ik een ‘party-pooper’, dat mooie, zij het voor Vlaamse oren misleidend Amerikaans woord voor iemand die er op een feest vroeg vanonder muist om in haar nest te kruipen met slechts een bedoeling: slapen. Halfnegen dus op de ochtend van Mardi Gras. Ik wandel door een bijna verlaten Bourbon Street. De afgelopen dagen zat er rond deze tijd al of nog steeds volk in de café’s. Ik loop over een natte, krakende, naar bier stinkende laag van platgetrapte plastieken bekers, friet, kippebeentjes, condoomwikkels, bidprentjes, pluimen en plastieken kraalsnoeren. In New York zitten de vuilnismannen tegen het einde van elk straatfeest in hun nerveus draaiende vrachtwagens te wachten om er in te vliegen om overuren te maken. Het enige wat ik hier voorlopig zie aan opruimwerken is een man die op zijn eentje het vuil van voor een restaurant met een bezem in de al overvolle straatgoot duwt. Op de al evenzeer onder carnaval-rommel bedolven Canal Street, de brede, al lang voor Katrina verlept ogende laan waar de stoeten doortrokken, is een enkele vuilniswagen aan het werk. De vuilnisophalers hebben niet eens handschoenen aan. Mardi Gras heeft ongetwijfeld zijn nut gehad maar het idee dat de stad naast al het onopgeruimde Katrina-puin nu ook nog een plek moet vinden voor al deze tonnen frivole smurrie, maakt me haast beschaamd.

Puin van een natuurramp, aanslag of oorlogsgeweld op televisie, is een ding. Het in persoon zien, ruiken en onder je voeten voelen is iets heel anders. Lisa Kaichen, Leon Broussard en hun dochter Erika speelden een jaar gastfamilie voor Esther Schurmans uit Sint Truiden. Eergisteren nam het gezin me mee voor een hallucinante, onvergetelijke dagtocht door de kapotte gebieden van de stad. De puinhoop na de aanslag op het WTC was een molshoop daarbij vergeleken. Tegen de avond hadden we nog maar een fractie van de met bruine modder bedekte verwoesting gezien. “Dan hebben we je bijna nog niets getoond van wat Katrina in de rest van Louisiana en de omliggende staten heeft aangericht”, zei Leon. Heel de dag hadden we zo goed als geen kinderen gezien. Zonder een goed doordacht plan en massale investeringen hebben alleen de allersterksten en allermoedigsten een kans op overleven in de chaos. Lisa en Leon hadden geluk. Hun huis had enkel windschade. Leon bleef thuis tijdens de storm. Hij wou zijn hondepups niet alleen laten. Hij en zijn vrouw hebben een ongezouten mening over de redenen waarom de verwarring en onzekerheid na Katrina nog steeds zo voelbaar en zichtbaar zijn. De meer dan 200 miljard dollar die de regering er tot nu toe in Irak heeft doorgedraaid, staat bovenaan hun lijst.

Jacqueline Goossens