Een kletterend geluid doet ons omkijken terwijl we wachten aan de balie van ons hotel aan de rand van de French Quarter. Een dronken hotelgast kotst zijn maag leeg. Een paarse straal spat op de marmeren vloer. De balieklerk glimlacht. “A little too much Mardi Gras, I suppose”, zegt hij minzaam. De zatte toerist waggelt naar de lift en kotst daar verder terwijl een vermoeid ogende zwarte jongen zijn troep begint op te ruimen. Dweilen, dat kunnen ze intussen goed in New Orleans.
In de oude straatjes van de Quarter kan de karnavalspret niet op. Bourbon Street is weer een bachanaal. De drank vloeit bij beken, de kakafonie van gejoel en live muziek is oorverdovend, de kralen vliegen in het rond. Vanop een smeedijzeren balkon toont een brunette haar borsten. Twee vrienden likken haar tepels. Ze gaat zo ver over het balkon hangen dat ze bijna naar beneden valt. Haar vrienden grijpen haar haastig vast. De massa vindt het prachtig. “I love this”, zegt een dikke man uit Iowa, “ik kom hier elk jaar opnieuw. New Orleans is the best. This is party-town USA!”
Ver zou hij niet moeten gaan om party-town USA te verlaten. De French Quarter is maar een zakdoek groot en als je er van weg gaat, sterft de muziek snel uit. Je wandelt verder en ook de lichten verdwijnen. Je ziet geen mens meer. Alleen puinen, in alle richtingen, zover je kunt kijken. Een dode stad.
Ik weet niet waarom ik iets anders verwacht had. Misschien kwam het door burgemeester Ray Nagin die de afgelopen weken toeristen lokte zoals de stoepier van een striptease-bar: ‘New Orleans is klaar om u te verwelkomen…Mardi Gras toont dat we weer recht krabbelen!” Misschien kwam het door president Bush die New Orleans al in september “een van de grootste heropbouwprojecten die de wereld ooit heeft gezien” beloofde. Of misschien kwam omdat verse rampen New Orleans uit het nieuws verdrongen.
Het kleine scherm is hoe dan ook niet bij machte om de realiteit van de ramp weer te geven. Honderdduizend gebouwen vernield, 70 000 andere beschadigd: je kunt de cijfers lezen, je kunt er beelden van zien maar er tussen lopen is nog iets anders. In vergelijking met Katrina was Elf September klein bier. In New Orleans kun je een hele dag rondrijden en niets anders dan ellende zien. Je krijgt er een gezond respect van voor de kracht van moeder natuur. Katrina heeft huizen en schepen als speelgoed rondgestrooid. Een betonnen zwembad is door de orkaan uit de grond geschept en naast een huis gezet. In de 9th Ward, een zwarte wijk tussen twee kanalen die beiden hun dijken doorbraken, zijn er hele stratenblokken waar alle huizen zijn weggespoeld.
In de bomen hangen er nog daken, stukken van auto’s, huisgerei. Hier en in het naburige St Bernard lijkt het opruimen nog maar nauwelijks begonnen, laat staan de heropbouw. Zelfs de wegen zijn nog niet allemaal vrij. In de wijk Arabi moeten we rechtsomkeer maken omdat een vissersboot de straat verspert. Het grote heropbouwproject dat Bush beloofde lijkt nog niet uit de startblokken. Natuurlijk hebben de firma’s die miljardencontracten in de wacht sleepten –vaak dezelfde als deze die in Irak de grote sier maken, zoals Halliburton- al duizenden tonnen afval weggesleept en een deel van de infrastructuur hersteld. Maar in vele wijken is er nog geen electriciteit, gas of water. Van de koortsachtige activiteit van bulldozers en kranen die ik me een half jaar na de ramp had voorgesteld, zie ik in de zwaarst getroffen wijken niets. De meeste straten zijn verlaten. Zelfs in rijke wijken waar veel vernietigd is zoals Lakeview, is het zo stil dat we er enkel vogels horen. Sommige villa’s lijken structureel onbeschadigd maar de eigenaars hebben er nog niet eens hun met modder bedekte bezittingen uit gehaald. De waarschuwing “We shoot at looters” die op een muur staat geschilderd, lijkt belachelijk overbodig. Niets is het meenemen waard. Maar het is hartbrekend om al die beschimmelde persoonlijke schatten te zien liggen in de tuinen en achter opengescheurde muren. Een teddybeer, een baljurk, vacantiefoto’s, schoenen. Een videocasette met de veelbelovende titel: “Seven steps to prosperity”.
In de 9th Ward is er nog minder activiteit. Hier en daar staat iemand naar een ruine te staren. Dat blijkt dan vaak een bewoner te zijn die nu in Dallas of Nashville woont en voor Mardi Gras naar ‘huis’ kwam. Ze hebben meestal geen zin om te praten. ‘Er zijn geen woorden voor’, zegt een van hen. Niet alle huizen zijn onherstelbaar. Maar wie aan de slag wil, kan op geen hulp rekenen. Toch niet van de overheid. Er zijn wel allerlei vrijwilligersorganisaties die een helpende hand reiken. De grootste is “Common Grounds”, een links geinspireerde solidariteitsgroep gevormd in de nasleep van Katrina. Bemand door een paar duizend onbetaalde vrijwilligers, meestal studenten uit heel het land, baat Common Grounds een tiental hulpcentra uit in de 9th Ward en andere verwoeste zones. De centra hebben verschillende specialiteiten. Er zijn wetswinkels en polyklinieken, distributiecentra waar buurtbewoners eten en water krijgen en machines kunnen lenen. Alles is gratis. Common Ground helpt bewoners ook om hun huizen leeg te maken. Ook de binnenmuren, overwoekerd met schimmel, moeten er uit voor er aan herstel kan gedacht worden. In een blauw huis op de hoek van Deslonde Street dat door de groep in beslag is genomen en schoongemaakt (het huis lijkt een tent nu, zonder binnenmuren) praat ik met Common Ground-woordvoerdster Jess Needles over de vicieuze cirkels die New Orleans gevangen houden. “Iedereen wacht in New Orleans”, zegt Jess. “Bedrijven en winkels wachten op de terugkeer van hun klanten en personeel. Bewoners wachten op behuizing en werk. Sommige mensen wachten op het herstel van de dijken of om te zien of de nieuwe dijken het orkaanseizoen (dat in de late zomer begint) overleven. Veel mensen wachten tot hun buren terugkeren. Maar de grootste hinderpaal is dat de stad niet wil onthullen wat ze van plan is. Verwacht wordt dat ze hele wijken zal onteigenen en platwalsen. Zolang men niet weet welke wijken zullen verdwijnen en welke herbouwd zullen worden, wil niemand het risico nemen om in de heropbouw te investeren.” Geen plan is ook een plan, meent Jess. Hoe meer tijd er voorbijgaat, hoe meer refugees van New Orleans elders wortel schieten en wegblijven. Zodat de stad hun wijken in beslag kan nemen en verpatsen aan projectontwikkelaars om er parken en golfterreinen van te maken.
Er was een plan. In januari onthulde een door de burgemeester benoemde commissie een voorstel dat een bouwverbod inhield voor 4 maanden, terwijl zou uitgemaakt worden welke wijken hersteld zouden worden en welke van de kaart zouden worden geveegd omdat ze niet beschermd konden worden tegen nieuwe overstromingen. De commissie wond er geen doekjes om dat armenwijken zoals de 9th Ward weg moesten. New Orleans zou een kleinere, meer blanke stad worden. Het plan ontketende een storm van protest. Burgemeester Nagin haastte zich om er zich van te distancieren. “New Orleans zal altijd een chocolade stad blijven”, zei hij, alluderend op de huidskleur van de meerderheid van de bevolking voor Katrina, “God heeft dat zo gewild”. Volgende maand zijn er verkiezingen in New Orleans en Nagin heeft de zwarte stemmen nodig om te winnen.
Het plan was dus van tafel maar er kwam geen ander in de plaats. En Jess heeft gelijk, geen plan is ook een plan. Volgens een studie van Brown University zou New Orleans 80 procent van zijn zwarte bewoners verliezen als er geen plan komt om hun terugkeer mogelijk te maken. De bevolking van de stad zou krimpen van bijna 500 000 naar 140 000. De pre-Katrina meerderheid van zwarten, 67 procent van de bevolking, zou een minderheid worden.
Heel wat blanken in New Orleans zien daar geen graten in. “Ze zeggen: zeer goed, dan zal er minder misdaad zijn”, zegt Harry Anderson die in de French Quarter een nightclub uitbaat. “Al ben ik zelf blank, ik word daar razend van. Het is de zwarte meerderheid die New Orleans haar muziek, haar gracieus karakter geeft. Zonder hen zou New Orleans een Disneyland voor dronkaards worden”. Maar hij voegt er aan toe dat de stad zonder grootscheepse openbare werken een tijdbom zou blijven. “De moerassen die de stormen afremmen moeten hersteld worden en er moeten stormdeuren komen zoals ze in Nederland hebben. Maar dat kost hopen geld, alleen de federale regering kan dat aan. En die geeft liever geld uit in Irak.”
Het feestroes op de laatste karnavalavond in de French Quarter proeft wrang. Ik denk aan Jetta Jones, de bejaarde zwarte dame in de 9th Ward die me zei dat ze liever geen Mardi Gras had gezien dit jaar omdat het aanvoelde als “dansen op verse graven”. Tussen de feestneuzen lopen er opvallend veel fundamentalistische christenen. Ze zeulen met kruisen en proberen de dronken toeristen te bekeren. “Jullie zullen allemaal branden in de hel”, roepen ze door megafoons, “Katrina was maar een voorsmaakje!” Wat dat laatste betreft, kunnen ze gelijk krijgen.
Tom Ronse