VACANTIEKIEKJES

Ik weet niet hoe andere mensen het doen maar ik ga nooit op vacantie, toch niet in mijn bovenkamer. Zo ben ik nu in Belize, dat me beschreven werd als een tropisch paradijs, en wat ik zie is een landje dat dringend hulp nodig heeft om zijn diepe armoede te bestrijden en zijn bedreigd natuurschoon te beschermen. "De meeste toeristen gebruiken Belize City als overstapplaats maar bezoeken het niet", schrijft mijn gids die wel een hoofdstuk aan het hoofdstadje met zijn 75.000 inwoners besteedt. "In Belize City is er niets te zien en er is veel misdaad", had een bereisde vriend me verwittigd. Beter van zo'n dingen niet tegen mij te zeggen want dan word ik pas nieuwsgierig. Na een weekje op Ambergris Caye, het grootste van de bijna 200 eilanden voor de kust van Belize, heb ik nood aan een hap verkwikkende stadslucht. Het is zondagnamiddag als we in Belize City aankomen. Ons hotel is een van de weinige koloniale villa's die de orkanen hebben doorstaan. Ooit hadden de bewoners er zicht op zee. Vandaag staren de gasten naar het Radisson-hotel aan de overkant. De huizen in onze straat zijn een mengeling van opgeknapte en verwaarloosde villa's. Aan het meest belabberde wappert een Chinese vlag. Een bord aan de afsluiting adverteert massage en kung-fu. In de tuin staan drie honden tussen hopen afval te blaffen. In de zijstraten staan scheefgezakte ineengeflanste optrekjes zij aan zij met keurige en half-afgewerkte nieuwbouw. Het ruikt er naar barbecue en zeepsop. Er spelen overal kinderen op straat. Niemand luistert naar dezelfde muziek. Verdwalen kan niet. De zee is nooit ver.

Dwars door de stad loopt een rivier. De noordkant, waar we logeren, is goed want veilig, zo hebben we al vaak gehoord. De zuidkant is dat niet. Noord en zuid zijn met drie bruggen verbonden. Wij wandelen over de pittorske, verroeste Swing Bridge en de miserie van de zuidkant slaat ons in het gezicht als een natte stinkende vaatdoek. Omdat het zondag is zijn de meeste winkels dicht op enkele Chinese kruideniers na die hun klanten van achter tralies bestellen. Verschillende van hun collega's waren bij de meer dan honderd mensen die vorig jaar in Belize City werden vermoord. De straten zien er uitgekleed uit zonder het doordeweekse verkeer. We wandelen langs treurig kijkende magere honden, even magere in vodden geklede daklozen die op de voetpaden liggen, een oude blinde man die tastend over de gevels voorbij schuifelt, mannen die ons iets willen verkopen en vuilnis in de straten en op de bermen van kanaaltjes die dienst doen als riolering. Niemand is blank. De Radisson vol Amerikanen en Europeanen niet ver van hier zou evengoed aan de andere kant van de wereld kunnen zijn.

De volgende dag trekken we, door drukkere straatjes nu, terug over de Swing Bridge naar het groen-oranje geschilderd busstationnetje. We stappen op wat langgeleden een schoolbus is geweest voor een zeven uren durende rammelende rit zuidwaarts naar Punta Gorda. We rijden langs bergen, jungle, grasland, sinaasappel- en bananen-plantages en zelfs naaldbossen. We dachten dat we op een express-bus zaten maar iedereen langs de weg die zijn hand opsteekt wordt meegenomen. Zo simpel is dat. Wie wil afstappen, roept of fluit. Het begint donker te worden. In de verte liggen de Maya-bergen. Er stijgt rook op uit de palmbladeren daken van de houten hutten langs de weg. Tijd voor het avondeten. In sommige huisjes brandt hard wit neonlicht. In andere schijnt het flauwe oranje licht van kerosene-lantaarns.

De volgende dagen rijden we langs hobbelige, stofferige wegen naar Maya-dorpen. Bruno, onze gids, kent er overal mensen. Zoals matriarch Selma die in een hangmat zit terwijl ze mais pelt voor haar varkens. We zijn omringd door wel 15 kinderen. Twee zwangere tienermeisjes balanceren elk een peutertje op de heup. De vloer is van aangestampte aarde. Achteraan pruttelen twee grote potten op een laag houtvuur. De rook blijft hangen ook al zijn er reten in de planken muren. Longaandoeningen zijn een serieus probleem bij de Maya's. Selma geeft een harde tik tegen een uitgemergelde pup die jankend naar buiten mankt. Het is hier keihard voor mens en dier. Koest zeg ik dus tegen de hondevriend in mij. In een ander dorp neemt cacao-boer Eladio Pop ons mee op een wandeling door zijn velden. Hij laat ons proeven van allerlei noten, vruchten en het binnenste van de stengels van wilde bananenbomen. Je kunt je letterlijk een weg eten door de jungle, intussen nog allerlei kwalen genezend, maar je moet de kennis hebben en die is volgens Eladio pover onder de Belizeanen. Na onze wandeling serveert Virginia, Eladio’s hartelijke vrouw, ons een gekruid cacao-drankje in kalebasjes. Ze heeft 15 kinderen. Adalia, haar oudste is, 31. Het jongste, Jadaele, werd gisteren 1 jaar. Met een van haar zonen gaat het niet te best, vertelt ze. Zoals veel jonge indianen drinkt hij te veel. Het gezin lijkt er wel een stuk beter aan toe dan dat van Valentina. De muren en vloeren van hun twee naast elkaar gelegen huizen zijn van cement. Alleen het dak is nog gemaakt met de traditionele palmbladeren. Dat is het efficientst tegen de hitte. Binnen is het kraaknet. Op de hangmatten en een tv na is er geen meubilair. Alleen de ouders hebben een kamer apart, zij het zonder deur. "De kleintjes slapen samen op een deken op de grond", legt Adalia uit. "Ze zijn gelukkiger dan wij", hoor ik een Amerikaanse op een van onze tochten over de Maya's zeggen. Ik wou dat ik met zo'n houding door landen als Belize kon trekken. Dan kon mijn brein eindelijk ook eens vrijaf nemen.

4 februari 2009