OP ADEM KOMEN IN BELIZE

Land van koralen, cacao en kristallen schedels


“Ik had besloten dat ik niet meer in Duitsland wou leven en vertrok op wereldreis, op zoek naar een plek om te blijven”, vertelt Bruno. “Toen ik in Belize kwam ben ik gestopt. Hier vond ik alles wat ik zocht: een schitterende zee vol eilandjes en koralen, een tropisch regenwoud waar de jaguar nog koning is. Mysterieuze grotten en eeuwenoude ruines van verdwenen steden. Ongerepte bergen, savannes en rivieren. Alle dagen mooi weer. Vriendelijke bewoners die een taal spraken die ik verstond. En Melissa...”


Even op de kaart kijken. Centraal Amerika. Zoek dat rechthoekig lapje dat er uitziet alsof Mexico en Guatemala het in de Caraibische zee willen duwen. Misschien staat er op uw kaart nog ‘Brits Honduras’ zoals het heette tot het in 1981 onafhankelijk werd. De queen pronkt nog steeds op Belize’s dollars. Er is meer volk dan in Huxley’s tijd maar met zijn 310.000 inwoners blijft het relatief dunbevolkt. Al is Cancun niet ver en pikt Belize een graantje mee van het Caraibisch cruise ship–verkeer, het massa-toerisme heeft dit landje nog niet ontdekt. Sportvissers en duikers weten er wel al een tijd hun weg naar te vinden. De bijna 200 eilanden of 'cayes' voor de kust vormen samen de Barrier Reef, na de Australische Great Barrier Reef het grootste koraalrif ter wereld.

Zelf ben ik geen waterrat. Mijn reisgenoot Tom is dat wel. Dus sluiten we een compromis: één week aan zee, één week in het binnenland. We vertrekken uit New York op een koude winterdag. Na een vlucht van nog geen vijf uur staan we in Belize City. Het is er, net als in New York, 25 graden Celsius. Maar hier boven en ginder onder nul. De exploratie van de stad moet nog even wachten. We stappen in een vliegtuigje dat ons naar Ambergris Caye brengt, het grootste Belizeaanse eiland. De 20 minuten durende vlucht is adembenemend. Het water is turquoise-blauw. Overal liggen eilandjes uitgestrooid. Sommige zijn onbewoond. Op andere staat maar één villa. Op Ambergris is er maar een stadje, San Pedro. Mega-nightclubs en chique restaurants vind je er niet. De winkeltjes, bars en restaurants zien er allemaal om ter relaxed uit. In de smalle straatjes, waar geen auto’s in mogen, is het opletten geblazen voor fietsers en golfcar-bestuurders die veel te snel rond de voetgangers laveren. Veel gebouwen zijn opgetrokken in hout, sommige in klassieke Caraibische architectuur. Hoogbouw is verboden in San Pedro, grote hotels zijn er dus niet. Wie buiten het stadje wil logeren, gaat er met de boot naar toe. Keuze genoeg aan dure en goedkope logeerplaatsen. De onze ligt op een half uur varen van San Pedro. We zijn er uitgenodigd door familie die een time-share hebben in een vacantie-dorp. Omdat eigen transport niet evident is bieden veel logeerplaatsen, tegen betaling, dagelijks allerlei activiteiten aan. Duiken, snorkelen, vissen, natuurwandelingen, bezoeken aan Maya-ruines: we hebben maar te kiezen. Omdat ik me helaas noch in noch op de zee thuis voel laat ik mijn reisgezel in de steek terwijl hij idyllische eilandjes bezoekt, koralen verkent en zeekoeien beloert. In plaats daarvan maak ik lange wandelingen langs verlaten stranden. Ze zijn prachtig maar bijna overal besmet met plastiek zwerfvuil. De vervuilers? Boten, dagjesmensen, ongefilterd rioolwater, soms duizenden kilometer ver.

Na een week aan zee vliegen we terug naar Belize City, de enige echte stad in dit landje, ook al wonen er amper 71.000 mensen. "Er is niets te zien", had men ons verwittigd. Ook werden we gewaarschuwd voor de misdaad die er de laatste jaren fel is toegenomen. Dwars door de stad loopt een rivier. De wijken ten zuiden daarvan hebben een ongure reputatie, het noordelijk stuk heet veiliger en welstellender te zijn. Dat ‘welstellender’ blijkt relatief. Er staan enkele luxe-hotels maar voor de rest staan de betere huizen en de armtierige houten krotten er zij aan zij. Wij logeren in een hotel dat ooit een koloniale villa was. Belize City is in de vorige eeuw twee keren bijna met de grond gelijk gemaakt door orkanen maar The Great House met zijn 16 kamers en koele veranda's is een van de weinige gebouwen die de furie hebben doorstaan. De zee is vlakbij net als de Chateau Caribbean, een hotel-restaurant dat vervallen glorie uitademt, waar we bij vriendelijke Creoolse meisjes lekkere kreeftslaatjes bestellen. Noord en zuid zijn verbonden met drie bruggen. We steken de roestige Swing Bridge over die uitkomt in een bescheiden commerciele buurt. Overal zien we tekens van diepe armoede. Van de graatmagere daklozen en even magere straathonden, tot de hopen zwerfvuil en kanaaltjes die dienst doen als rioleringen. De Chinese kruideniers bestellen hun klanten van achter tralies. In de ongeplaveide steegjes spelen kinderen, roken barbecue-vuren. Belize City is net als veel andere derde-wereldsteden te snel gegroeid. Van historisch erfgoed beschermen is voorlopig geen sprake in een stad waar veel mensen niet eens water en electriciteit hebben. Er zijn enkele mooie gebouwen die alle orkanen hebben overleefd zoals de ex-gevangenis die nu het Museum of Belize herbergt. Men kan er een verzameling van keramieken en jade-juwelen van de Maya's van Belize bewonderen. De Maya's bewoonden vooral het zuiden van het land, wat nu het Toledo District is. Ze bouwden er grote steden die al vervallen waren nog voor de Europeanen arriveerden. Niemand weet precies waarom. Het is die streek die we nu willen verkennen.

De volgende dag steken we weer de Swing Bridge over en vinden onze weg naar het levendige, rommelige busstation. De rit in een ex-schoolbus naar Punta Gorda, het meest zuidelijke stadje in Belize, duurt zeven uren. We rijden langs jungle, moerassen, savannes, sinaasappelplantages, bergen en zelfs naaldbossen. De huidskleur en talen van onze medepassagiers zijn al even gevarieerd. Het is donker als we in Punta Gorda aankomen. We vinden snel een hotel. Punta Gorda, of PG zoals het genoemd wordt, is een springplank. Je kunt er boten nemen naar Guatemala en Honduras. Je kunt het als basis gebruiken om te duiken, snorkelen, vissen en om de jungle, grotten en Maya-dorpen te verkennen. Het eco-toerisme is er in volle ontwikkeling. Logeermogelijkheden genoeg in de omliggende natuurgebieden. Voor de luxe eco-lodges betaal je honderden dollar per nacht. Wij kiezen voor de veel eenvoudiger en goedkopere Sun Creek Lodge.

De eigenaars, Bruno en Melissa, verwelkomen ons hartelijk. Hij is de eerder geciteerde Duitser die zijn hart verloor aan Belize en later ook aan Melissa. Zij is van de streek. Haar moeder is Maya. Onze kraaknette hut heeft een dak van palmbladeren en houten vloeren. Een grintpad door de tropische tuin leidt naar onze badkamer in openlucht. Melissa zorgt voor ontbijt en avondeten. Het gaat er informeel aan toe. Melissa, Bruno en hun twee zoontjes zitten mee aan tafel terwijl de poes, de honden en de buurkinderen het huis -een traditionele Maya-hut- in en uit lopen. Bruno kent het Toledo District als zijn handpalm en biedt een gamma van tours aan. Hij verhuurt ook jeeps maar wij besluiten hem als gids te huren.

De volgende dagen toont hij ons de streek. We komen op wondermooie plaatsen zoals de Blue Creek, een rivier die door een prachtig regenwoud loopt. Die volgen we stroomopwaarts tot ze in een reusachtige spelonk verdwijnt. Bruno en Tom zwemmen, met een lamp op hun voorhoofd, de grot in. Een uur later zijn ze terug. Tom kan zijn enthousiasme niet op. “We zijn tot aan een ondergrondse waterval gezwommen”, vertelt hij, “op terugweg hebben we in het laatste stuk onze lampen uitgedaan zodat we in het pikkedonker zwommen. Dan zagen we plots intens groen licht, het regenwoud omkaderd door de donkere grot. Fantastisch!”

Bruno neemt ons mee naar Maya-dorpen. Overal wordt hij hartelijk begroet. In het grootste dorp, San Antonio, staat een kerk, gebouwd met stenen van Maya-ruines in de omtrek. Twee jonge Amerikaanse missionarissen zijn net bezig met Maya-kinderen de fijnere punten van het christelijk geloof uit te leggen. Ook in de andere Maya-dorpen zien we veel kerken, katholieke en protestantse. Deze laatste ogen vrij nieuw en zijn bemand door Amerikaanse missionarissen. Melissa vertelde ons over haar oom, een muzikant die probeert om de Maya-muziek in leven te houden. De missionarissen verboden aan de kinderen om les bij hem te volgen omdat zijn muziek ‘het werk van de duivel’ was.

In een ander Maya-dorp gaan we op bezoek bij een familie die Bruno kent. We worden begroet door een legertje blaffende magere honden. Moeder Selma zit in een hangmat mais te pellen. Kinderen, kleinkinderen en buurkinderen drummen rond haar. Meubels zijn er niet, alleen hangmatten en een houten platform waar de kleintjes samen op slapen. De vloer is van aangestampte aarde. Door de reten in de planken muren waait een bries naar binnen. Achteraan in de hut staat een pot mais te pruttelen op een laag houtvuur. Selma vertelt dat heel het dorp in 2002 vernield werd door een orkaan. "Ik was nog klein en heel bang", vult haar oudste dochter aan. Ze is zichtbaar zwanger en draagt een peuter op de heup. Intussen heeft het bericht van onze komst de ronde gedaan. Kinderen bestoken ons met rieten mandjes, armbandjes en geborduurde lapjes stof. Natuurlijk kopen we een en ander. Hoe arm veel mensen hier ook zijn, ze moeten zelfs schoolgeld voor hun kinderen betalen.

"Men zegt dat de Maya's van Toledo de chocolade hebben uitgevonden”, zegt Bruno. “In Mexico eisen ze die eer voor zichzelf op. Het doet er niet toe, er waren toen geen grenzen. Feit is dat de Maya’s en hun buren de eersten waren die cacao kweekten. En dat doen ze nog steeds.” Als chocolade-fanaat neem ik zijn aanbod om een cacao-plantage te bezoeken gretig aan. Even buiten het dorp San Pedro Colombia ontmoeten we cacao-boer Eladio Pop. Zijn plantage is een zorgvuldig beheerd stuk jungle waar hij zijn cacao- en koffieplanten vertroetelt. Chemische producten komen er niet aan te pas. Boer Pop is lid van een cooperatieve wiens biologisch gekweekte cacao-bonen in Engeland verwerkt worden tot Maya Gold-chocolade. Eladio is thuis in de jungle. Hij kent er elke plant. Hij laat ons van noten, vruchten en het hart van een wilde bananenplant proeven en toont ons planten en kruiden die goed zouden zijn tegen allerlei kwalen. Hij plukt een rode bloem en blaast door een van de blaadjes: het klinkt als een fluitje. Hij breekt een rijpe, rode cacao-vrucht open. De cacao-bonen liggen op twee rijen in wit vruchtvlees dat heerlijk zuurzoet smaakt. "Stop op terugweg bij me thuis", zegt Eladio bij het afscheid, "Mijn vrouw zal u een cacaco-drankje geven zoals de Maya's het vroeger dronken."

Mevrouw Pop ontvangt ons hartelijk. Ze heeft vijftien kinderen, het jongste is net één jaar geworden. Het gezin is er beter aan toe dan dat van Selma. Het huis is van steen en lijkt stevig genoeg om een orkaan te doorstaan. Er staat een tv maar voor de rest weer geen meubels. “De kleintjes slapen samen op een deken op de vloer", legde een van de grotere meisjes uit. Gelukkig voor de longen van bewoners wordt er buiten gekookt, op een houtvuur onder een afdak. Iedereen ziet er goed gevoed uit. De kinderen gaan naar school. "Over een van mijn zonen maak ik me zorgen", zegt de moeder, "hij drinkt en wil niet werken." Alcoholisme is ook bij de Maya's een groot probleem. We sippen ons cacao-drankje uit kalebassen. Het is een straf goedje gemaakt met cacao-pasta, water, kruiden en suiker. Het geeft ons energie voor onze volgende etappe: Lubaantun.

Wat er van deze Maya-stad overschiet wordt beter onderhouden dan Uxbenka, een 2000 jaar oude ruine die we eerder met Bruno bezochten. Er zijn meer dan 900 Maya-ruines in Belize maar het land heeft geen geld om ze te beschermen. In Uxbenka zagen we open, gevandaliseerde graven. De meeste ruines waren door de jungle opgeslokt. In Lubantuun is de jungle teruggedrongen, de graspleinen waar de Maya’s ooit hun fameus balspel speelden, zijn keurig afgereden. Wandelend tussen de ruines krijgen we een idee hoe de stad er ooit heeft uitgezien. Maar ook hier is veel verwoest. De eerste Europeaan die Lubantuun verkende was een Brit die in 1915 de toppen van de tempels wegblies met dynamiet. Aan de ingang is er mini-museum waar archeologische vondsten te zien zijn. Een glazen toonkast is aan diggelen geslagen. "De dieven zijn aan de haal gegaan met de jade-sieraden", vertelt de bewaker. Er zijn ook documenten te zien over de kristallen schedel die in Lubantuun zou gevonden zijn. Volgens de experts was het een vervalsing maar het ding sprak wel tot de verbeelding en inspireerde zelfs een recente Indiana Jones-film die nieuwsgierige filmfans naar Belize lokte. Voor mij niet gelaten. Voor een landje waar het toerisme nog in de kinderschoenen staat, is alle aandacht goed.

Links: Eladio Pop bij een cacao-boom. Rechts: Bruno en Melissa en hun (gevonden) papegaai Toby

Belize practisch

Reis

Wij vlogen met Continental Airlines non-stop vanuit New York naar Belize City. Er zijn connecties vanuit Amsterdam via Atlanta en Houston. In het binnenland vlogen we zowel met Tropic Air als Maya Air. De prijzen zijn vergelijkbaar,

Verblijf

In Belize City verbleven we in The Great House (16 kamers, www.greathousebelize.com) en in het Toledo District in Sun Creek Lodge (cabanas en 1 villa, uitstekend ontbijt, diner op aanvraag www.suncreeklodge.com).

Documenten

Enkel geldig paspoort nodig.

Munt

Belize Dollar (BS$). US $ worden overal aanvaard. 1 US $ is 2 BS $

Klimaat

Subtropisch. Regenseizoen van Juni tot Januari; korte droge periode in Augustus; droog seizoen van Februari tot Mei met occasionele tropische regenbuien. December en Januari zijn de koelste maanden. Duikers verkiezen de late lente en zomer vanwege kalmer en dus helderder water. Het binnenland kan bloedheet zijn. In de bergen kan het kwik op ‘s winters dalen tot 10 graden.

Gezondheid

Geen vaccinaties nodig. Wie langere jungle-tochten onderneemt, neemt best anti-malaria tabletten. Water is drinkbaar in de meeste toeristische plaatsen. Bescherm uzelf tegen muggen.

Info

Belize Tourism Board www.travelbelize.org

Belize Audubon Society www.belizeaudubon.org

(KNACK WEEKEND)